HOOFDSTUK VII

DESINTEGRATIE

4 januari 1969 – 10 november 1973

De Hobby Club was gecompliceerd geworden, een stapje verder en zij zou verbrokkelen. Op de discussieavond van 4 januari 1969 wordt geconstateerd, dat Radio en Modelbouw nauwelijks actief zijn en dat het ledental daalt. Dick van der Knaap zegt: het lijkt soms net een kleuterklas. Ger de Pee, die op 18 januari zijn voorzittershamer zal overdragen aan Ruud Meyer, ziet een oplossing in het aantrekken van instructeurs van buitenaf. Iemand merkt op, dat dit indertijd bij Toneel tot succes heeft geleid, maar bij Artistieke Hobby’s niet. De gemiddelde leeftijd van de leden daalt, wat allerlei baldadigheid met zich meebrengt. In januari wordt een drietal leden vijf weken geschorst voor het plaatsen van een rookbom, een week later gooien vier andere leden een lucifer in een busje petroleum; zij worden zes weken geschorst voor brandstichting. Het is triest te moeten constateren dat op de avonden slechts 25% van de leden aanwezig is. Op de bestuursvergadering van 12 april 1969 stelt Kees Snoek voor het te gebruiken zolderoppervlak te verkleinen door het grootste deel van de modelbouwvleugel af te sluiten. Hij stelt, dat een kleiner oppervlak als voordeel heeft, ‘dat het geheel overzichtelijk is, zodat er meer kans is, dat er goed gehobbied wordt en dat er geen “streken” worden uitgehaald.’ De spoorwegmodelbaan van Bas Verhey, die bij tijd en wijle was gevandaliseerd, wordt nu  aan het oog onttrokken.

In maart 1969 doet de HCD mee aan een tentoonstelling en manifestaties in Jeugdherberg De Meerpaal, waar de afdeling Toneel enkele avonden veel succes heeft met improvisaties. Ook gaan bestuursleden opnieuw bedrijven af die spullen willen afstaan (spaanplaten van Bruynzeel, buizen en onderdelen van de Dordtse metaalindustrie Johan de Witt), maar het gevoel van malaise wordt sterker. Er wordt besloten de Hobby Puk voortaan als jaarblad te laten verschijnen, maar in 1969 is daar niets meer van gekomen.

Rond deze tijd is op initiatief van enkele bestuursleden de modelspoorbaan van Bas Verhey afgebroken, mogelijk om ruimte te creëren voor andere doeleinden; de baan had langdurig ongebruikt gelegen en was daardoor het doelwit geworden van moedwillige vernielingen. Het was een grove fout dat de demontage van de baan niet geschiedde in overleg met de bouwer, die in dat geval bepaalde waardevolle stukken terug had willen krijgen. Hij was terecht ontzet. Gijs, door Kees Snoek op de hoogte gesteld, schrijft op 14 juli terug: ‘Ik kan me niet voorstellen dat de Modelbaan van Bas Verhey inderdaad gesloopt zou zijn, want dat zou ik wel het meest droevige feit uit de geschiedenis van de Hobby Club vinden! Al zou men de hele baan geleidelijk, stukje bij beetje, helemaal willen vervangen door iets anders, dat vind ik best, als het een streven naar verbetering is, maar afbraak is rampzalig, omdat het vele jaren vergt voordat er zo een geheel bij elkaar kan komen. [...] naar mijn oordeel heeft niemand het recht die baan zonder meer helemaal af te breken. Regel behoort te zijn niets weg te nemen voordat er ander passend geheel voor in de plaats gereed is.’

Toneel, dat zich op zijn vaste vrijdagavond tot een hechte afdeling ontwikkelt, als het ware een club binnen de club, boekt successen: op 10 mei 1969 wordt het tweede onder leiding van de heer Van Munster ingestudeerde toneelstuk, ‘Liefde in een duiventil’, op de Hobby Club opgevoerd. Op 22 november volgt er een reprise, voor ouders en donateurs. Maar in zijn totaliteit biedt de HC een ietwat droevige aanblik. De positieve ontwikkeling van de afdeling Artistieke Hobby’s stokt wanneer Wijnand zich later in het jaar in verband met zijn werk moet terugtrekken als instructeur. Afdeling Astronomie ziet de kans op de bouw van een sterrenkoepel om technische redenen voorbijgaan en kan zich niet meer ontplooien. Voor de school worden centrale verwarmingsketels geïnstalleerd op de hobbyzolder, waarvoor de bestuurskamer in de buurt van de ingang moet worden opgegeven. De cv-ketels worden netjes weggewerkt achter een beschot; van de voormalige bestuursruimte resteert slechts een klein gangetje, waar het schakelbord met alle elektriciteitsgroepen kan worden bediend. Onderaan het bord bevindt zich een hoofdschakelaar, die bij het verlaten van het gebouw als laatste wordt omgedraaid. Er wordt naast de doka, aan de kant van het raam, een nieuwe bestuurskamer gecreëerd. Hiervoor wordt een deel van de ruimte van afdeling Radio afgenomen. Een getimmerde afscheiding voltooit de verkaveling van de ruimte.

Het ledental loopt terug van 110 in maart tot 90 in december. Oudere leden verlaten de club, omdat zij de leeftijd van 24 jaar hebben bereikt, omdat ze gaan trouwen of voor hun werk moeten verhuizen. Jongere leden zijn niet altijd blijvertjes. Daarom dient er zuiniger te worden omgesprongen met de financiën. Er wordt een heel systeem bedacht om geldverkwisting tegen te gaan. Uit de notulen van 17 mei: ‘Over aankopen is het volgende vastgesteld: Vindt een lid dat er iets moet worden aangeschaft, dan gaat hij of zij naar de instructeur. Deze gaat op zijn beurt naar de materiaal-commissaris, Jan Kraal. Voor bedragen tot fl 5,- beslist hij er alleen over, bij bedragen van fl 5,- tot fl 25,- beslissen Jan en de penningmeester Bram Bogaard beide, en vanaf fl 25,- moet eerst het gehele bestuur toestemming geven, dit omdat in het verleden is gebleken dat er plotseling een lid met een rekening van tientallen guldens komt aanzetten. Jan legt een lijst aan van de zaken waarvoor hij toestemming tot aanschaf heeft gegeven, samen met een kostenraming. Als de zaken gekocht zijn, moet het betreffende lid een nota meebrengen, waarop Jan aantekent, dat alles in goede staat is ontvangen. Zonder zo’n aantekening krijgt men geen geld terug.’

Diverse oudgedienden maakten zich zorgen over de geringe hobbyzin van de jongere generatie. Alleen de vakantiekampen hadden veel succes. Het pinksterkamp van 1969, op het terrein van boer Suyckerbuyck in Rucphen, trok 36 deelnemers. Voor het zomerkamp trokken we veel verder Noord-Brabant in, naar het tussen Heeze en Someren gelegen terrein van boer Van den Boogaard, in de buurt van de Strabrechtse Heide. Hier namen twintig leden aan deel. De gemoedelijke boer met zijn grote kinderschare vond het heel gezellig dat de HC’ers op zijn weiland stonden en zijn oudste kinderen bij hun activiteiten betrokken. Niets was hem teveel; hij stond zelfs toe, dat sommige leden gebruik maakten van het ligbad in zijn privé badkamer. Voor zijn boerderij stond, zichtbaar vanaf de weg, een vrieskist van Campina, die allerlei soorten room- en waterijs bevatte, alsmede frisdranken en een Brabants brouwsel met de intrigerende aanduiding ‘zwaar bier’. De kampeerders van de HC wisten er wel raad mee. Het herfstkamp, met vijftien deelnemers, werd wederom in Rucphen gehouden, waar boer Suyckerbuyck gaandeweg meer terrein had geklaard waar kampeerders konden staan.

Echter, op die kampen, hoe gezellig ook, waren confrontaties tussen jongere en oudere leden niet altijd te vermijden. Maar op de Hobby Club zelf werden ze manifest. Het had iets van de bekende generatiekloof van die jaren, waarbij werd afgegeven op het ‘langharig, werkschuw tuig’. De oudere leden van de Hobby Club (hoewel zelf jongeren en meestal ook langharig) ergerden zich aan de lusteloosheid en passiviteit van de jongere leden. Uit de notulen van de ALV van 13 september 1969: ‘Daan Tits stelde een tijdelijke ledenstop voor voor mensen beneden 15 jaar [....] Daan Tits pleitte tenslotte voor een strenger optreden op de Hobby Club teneinde de gang van zaken te verbeteren.’ Ruud Ooyen joeg alle jonge leden tegen zich in het harnas door zich geërgerd tegen hen te keren. De ‘ouwe stomp’ roerde zich.

Op 1 januari 1970 gaat er een brief uit naar de leden:

Beste Hobbiër, Waarschijnlijk heb je wel gemerkt dat het op de hobby-club de laatste tijd niet zo erg best gaat. Het bestuur heeft daarom gemeend enige maatregelen te moeten nemen. 1. Het bestuur heeft contact opgenomen met enkele oud-leden en hen gevraagd ons de eerst volgende maanden te helpen met het opnieuw aktiveren van de H.C. De meesten van deze oud-leden hebben ons hun hulp toegezegd.

Het is een soort paleisrevolutie: diverse bestuursleden hebben zich teruggetrokken of zijn het bestuur uitgewerkt en twee oudere leden zijn erbij gehaald. Maarten van IJk, die in april 1968 had opgezegd, is weer lid geworden en bekleedt het vice-voorzitterschap; Lies Wiessner is secretaresse geworden. Verscheidene andere oud-leden en oudere leden hebben toegezegd hun uiterste best te doen om de afdelingen weer op gang te brengen. Dit initiatief leidt door het betere toezicht tot een aanmerkelijke vooruitgang op de club. In antwoord op een brief van Kees over de nieuwe situatie, schrijft Gijs hem op 18 januari 1970 vanuit Oakland terug:

Hoewel er natuurlijk veel veranderd is op de wereld en speciaal ook wat betreft de plaats van de jeugd in de afgelopen twintig jaar, geloof ik dat nog steeds een van de belangrijke positieve kenmerken is het trachten idealen te formuleren en te verwezenlijken en vanwege de ruime doelstellingen van de Hobby Club en de bijzondere organisatievorm, moet de Hobby Club toch nog steeds bijzonder aantrekkelijk kunnen zijn voor vele jongens en meisjes met een positieve instelling en hobbies. Het zou jammer zijn als door een gebrek aan vooruitzien, dat moet resulteren in plannen maken en acties voeren, de toekomst van de Hobby Club ondermijnd zou worden en ik hoop dus zeer dat er een gezonde activiteit heerst op de Hobby Club of dat anders zo spoedig mogelijk iets ondernomen zal worden om de Hobby Club weer nieuw leven in te blazen. Gelukkig klonk de inhoud van je brief positief en veelbelovend genoeg, dus ik ben werkelijk benieuwd naar bericht [...].

Tussentijdse bestuursmutaties zijn in een jongerenclub meer regel dan uitzondering, maar de laatste bestuursmutatie is met zoveel tamtam aangekondigd, dat sommige leden die niet willen slikken. Door te protesteren je eigen identiteit bevestigen is een gegeven waar een jongerenclub veel mee te maken heeft, maar na mei 1968 was de tijd helemaal rijp geworden voor allerlei vormen van protest, contestatie en demonstratie. Op de Hobby Club, die zich er immers op beroept een democratische instelling te zijn, heerst ook een zekere kritische traditie. Jaap van der Leer, een kundig Radiolid en een nauwgezet lezer van het Huishoudelijk Reglement, verzamelt de handtekeningen van 20% van de leden, statutair vereist om een ledenvergadering bijeen te roepen. Jaap wil allerminst iets doen ten detrimente van de Hobby Club, maar hij wil volgens het boekje handelen.

De ontwikkelingen volgen elkaar nu snel op. De oud-leden geven er de brui aan. Ruud Meyer trekt zich terug als voorzitter, maar Lies Wiessner en Bram Bogaard blijven in het bestuur. Dick van der Knaap wordt naar voren geschoven als de nieuwe kandidaat voor de functie van voorzitter en voor twee andere bestuursfuncties worden twee heel jonge leden kandidaat gesteld, die volgens veel oudere leden op die taak niet berekend zijn. Op een zeer verhitte ledenvergadering, waarvoor veel oudere leden zijn gemobiliseerd, staan Frank van Hees en Kees Snoek vooraan in de zaal, die zij lijken te willen bezweren. Kees, hoewel voor zijn eindexamen zittend, stelt zich tegenkandidaat voor de voorzittersfunctie. Hij wordt gekozen, maar de stemming wordt ongeldig verklaard. Bij de volgende stemming krijgt de officiële kandidaat meer stemmen. Iedereen voelt zich wat treurig. De laatsten die het gebouw verlaten zijn Dick en Kees, al pratende over de toekomst van de Hobby Club.

Het nieuwe bestuur begint met een ‘grootse herstructureringsactie’: de toneelzaal wordt voortaan de hele avond gesloten, met uitzondering van een half uur waarin de bar wordt opengesteld. Dick van der Knaap probeert een prettige werksfeer te scheppen en daardoor mensen van goede wil te kweken. Om de sfeer in de club te herwinnen stelt het bestuur de HC voortaan op zondagmiddag open voor ‘nevenactiviteiten’, zoals diavoorstellingen en volksdansen, en organiseert het meer activiteiten buiten, zoals basketbalwedstrijden en puzzelritten. Het pinksterkamp in Rucphen is, met zijn veertig deelnemers, een groot succes. Maar op de Hobby Club zijn er nauwelijks nog instructeurs in de ware zin des woords te bekennen. Alleen de regisseur van Toneel, de heer Van Munster, gaat in de beste stemming door met zijn groep getrouwen. In februari, maart, april en juni 1970 wordt het toneelstuk ‘Hoogheid, uw kameel staat voor’ opgevoerd: eerst op de Hobby Club voor leden, daarna voor ouders en donateurs, en vervolgens in bejaardentehuis Vijverhof en in Statenhof.

Men besluit de pretentieuze term ‘instructeur’ te laten vallen en stelt voor de afdelingen ‘verantwoordelijke personen’ aan, maar toch wordt er onvoldoende toezicht gehouden. Bij Fotografie vergeet iemand de waterkraan boven de spoelbakken te sluiten, waardoor een zich beneden die afdeling bevindend schoollokaal blank komt te staan. De heer Dortwegt van de SBHCD komt op een zondagochtend naar de school om de situatie in ogenschouw te nemen en loopt vloekend door het lokaal. De Hobby Club wordt door de gemeente aangesproken voor wateroverlast. Hoewel de bezorgde oudere leden in januari een nederlaag hadden geleden, in april komen ze weer in actie. Zaterdagmorgen, 18 april 1970, 10 uur, begint op de kamer van Lies Wiessner ‘Operatie ‘70’:

Aanwezig waren: Lies W[iessner]; Frank v. H[ees]; Dick K[amberg]; Kees R[uurs]; Kees S[noek]; Maarten van IJ[k] Twee voorstellen kwamen naar voren, waar over gepraat werd, om de Hobby Club nogmaals te helpen.
1) Een controle commissie.
2) Naar de Stichting gaan voor oudere betaalde hulp (instructeurs). Dit laatste idee werd verder uitgewerkt. En men kwam overeen d.m.v. een discussie avond (Operatie ’70), de leden het idee voor te leggen om wat oudere betaalde krachten aan te trekken als instructeur. (Kees Ruurs).

Verder kwamen ter sprake: een jubileumuitgave, de toestand van de JADO, de HC-film, het organiseren van puzzeltochten, filmvertoning op zondagmiddagen, vossenjacht, Stichting bijeenroepen. Kees Ruurs, zojuist teruggekomen van een verblijf van een jaar in Amerika, stuurt, met instemming van het bestuur, een brief aan de leden. Het is maar een kort briefje, een beetje wrang ook:

HELP! DE HOBBY CLUB VERZUIPT!!

De Hobby Club is in vergaande staat van ontbinding. Het geraamte staat er nog, (af en toe rot het weg door wat water), het hart is er uit.
U kunt zorgen voor een nieuw hart, a.s. Zaterdag om half 8 proberen we door middel van een harttransplantatie de Hobby Club nieuw leven in te blazen. Indien er niet genoeg broeders en zusters aanwezig zijn, is de kans groot dat de patiënt overlijdt en daarna kunnen we nog een keer bij elkaar komen om de begrafenis te regelen (geen bloemen, geen toespraken in dat geval).
Na deze lugubere, medische inleiding, drukken we jullie op het hart allemaal te komen, want jullie mening is in deze zaak beslissend.

Gijs toont zich niet erg enthousiast voor betaalde krachten als instructeur: ‘De Hobby Club zou dan meer een soort super huishoudschool worden, wat nu niet bepaald overeenstemt met mijn opvattingen over een Hobby Club. Bovendien zie ik nog niet waar jullie het geld en de betaalde instructeurs vandaan zouden moeten halen. Het lijkt me niet juist dat probleem maar naar de Stichting te verschuiven.’ De betaalde krachten komen er toch, maar zonder blijvend succes. Het is niet de mening, maar de houding van de leden die beslissend is: de Hobby Club wordt meer en meer wat men tegenwoordig zou noemen een ‘hangplek’. De Hobby Club gedachte is niet langer problematisch: zij leeft voornamelijk nog bij de oudere leden, die zo langzamerhand de fut verliezen om telkens opnieuw in het geweer te komen. Het al te jeugdige publiek dat de HC bevolkt is moeilijk tot positieve daden te motiveren, van welke aard dan ook. Operatie ’70 is een betrekkelijke mislukking. Op 27 augustus 1970 schrijft Wim Wiessner af, op grond van ‘de toenemende degeneratie van het Hobby Club bezoekende volkje, wat mij een verminderd vertrouwen geeft in het voortbestaan van de Hobby Club en mij de lust en de mogelijkheden ontneemt mijn hobbies op de zolder te bedrijven.’

Het meeste succes heeft de Hobby Club met zijn weekendkampen. Trok het pinksterkamp veertig deelnemers, aan het herfstkamp wordt deelgenomen door vierentwintig leden. Het wordt wederom in De Wildert gehouden, waar een laan is ontdekt met tamme kastanjes, die juist in die tijd rijp zijn. Het traditionele kampvuur ter afsluiting van het kamp krijgt zo de extra attractie van het poffen van kastanjes. Het zomerkamp op het terrein van boer Verhoeven in Udenhout trekt echter maar zes full-time deelnemers.

Op de Hobby Club zelf worden er halverwege het jaar enkele gelukkige initiatieven genomen. In juli 1970 richten Gerard van Kerchove en Mart Hurkmans de nieuwe afdeling Biologie op. Er gaat op de Hobby Club een nieuwe wind waaien, als Margriet Bodbijl, die in mei was toegetreden tot het bestuur, eind augustus wordt gebombardeerd tot voorzitster. Zij is nog maar betrekkelijk kort lid en kan daardoor ook beter de energie en geestdrift opbrengen om er eens flink tegenaan te gaan. Anderhalve maand lang heeft de HCD zelfs een bestuur met vier vrouwelijke leden, met penningmeester Bram Bogaard als enige man. Een zekere feminisering van de HCD is onmiskenbaar; het zijn ook meestal meisjes die zich nog wél met enthousiasme aan hun hobby’s wijden. Toch ervaren sommige meisjesleden de HCD nog steeds als een typische jongensclub. Zij voelen zich niet volledig serieus genomen en zijn als ze willen hobbiën vaak op zichzelf aangewezen.

Enkele oud-leden steunen Margriet Bodbijl en haar bestuur om een geplande propaganda-actie tot een succes te maken, drie jaar na de ledenwerfactie die de Hobby Club deed overstromen met babyboomers. Een aardige opsteker is een eenmalige subsidie van Provinciale Staten ter waarde van fl 8800,-, die eind augustus 1970 wordt toegekend en die zal worden beheerd door de SBHCD. Maar op 15 september ontvangt het bestuur een vertoornde brief van de heer J. Dortwegt, na opnieuw opgetreden wateroverlast: indien er weer klachten binnenkomen, zal de SBHCD de gemeente adviseren de huurovereenkomst met de HCD te beëindigen. Verder dringt de voorzitter van de SBHCD aan op een grotere beveiliging tegen brand en op periodieke brandoefeningen.

We schrijven oktober 1970. De Hobby Club bestaat al meer dan 20 jaar. De Dordtenaar schrijft: ‘Het jonge, enthousiaste bestuur heeft grote plannen om het vierde lustrum niet onopgemerkt voorbij te laten gaan. Het heeft een heel scala van evenementen georganiseerd om de bevolking een week lang met het doen en laten van de hobbyclub te laten kennismaken. Hoogtepunt is ongetwijfeld een grote propaganda-avond in Kunstmin op vrijdag 9 oktober. Tijdens deze avond, welke ten dele een informatief programma heeft, kan iedereen, die zich voor de club interesseert, kennismaken met wat in Dordt als de “H.C.D.” bekend staat.’ Het programma voor de hele week bestaat uit:

  • zaterdag 3 oktober: expositiekraam annex informatiestand op het Bagijnhof, geluidswagen door de stad, sterren kijken in het clubgebouw, waar ook twee eenakters worden opgevoerd.
  • woensdag 7 oktober: een puzzelrit voor belangstellenden.
  • donderdag 8 oktober: openbare toneelrepetitie.
  • vrijdag 9 oktober: grote propaganda-avond in Kunstmin.

Tevens wordt het 20-jarig bestaan aangegrepen om eindelijk de volledige JADO in te wijden, die op 6 mei 1967 door de leden uit de jaren vijftig symbolisch was aangeboden. De JADO, volgens Gijs een geluidsinstallatie van unieke kwaliteit, omvat een kwaliteitsversterker met speakers in teakhouten kasten, een Sennheiser microfoon en een kostbare Philips platenspeler.

Er was een speciaal propagandanummer van de Hobby Puk in elkaar gezet. Behalve feitelijke informatie en historiserende beschouwingen bevatte het een oud artikel van Leonard de Vries, ‘Doel en opzet van de Hobby Club’, dat eigenlijk was toegesneden op de situatie in de jaren vijftig en dat met de groei van de welvaart zijn zeggingskracht had verloren. Veel frisser klonk het woord vooraf van het bestuur, dat eindigde met de volgende opwekking: ‘Kom eens praten. Je kunt bij ons vinden, wat je al jaren zoekt: 1. Jouw hobby. 2. Vrienden. 3. Gezelligheid.’

Uit het artikel ‘Huidige toestand en toekomst’ blijkt, dat de HCD op dat moment 85 leden telde: 60 jongens en 25 meisjes. Het aantal donateurs bedroeg 87. De ledenwerfactie werd helaas geen doorslaand succes: er kwamen iets meer dan 15 leden bij, zodat het ledental tot even boven de 100 reikte. Er was nochtans alles aan gedaan om de aandacht van de jeugd te trekken. Terwijl er door Dordrecht een geluidswagen reed om zijn boodschap uit te bazuinen, klonken over de radio de stemmen van Margriet Bodbijl en Kees Ruurs in het programma Z.O. Maar de standhouders op het Bagijnhof hadden te kampen met gebrek aan belangstelling en heftige rukwinden. Vrijdagavond voerde Toneel in de kleine zaal van Kunstmin met veel flair de eenakter ‘Moorkoppen en gerookte paling’ op. De nieuwe inspecteur voor jeugdzaken sprak een woord van aanbeveling. De hele manifestatie was uitstekend voorbereid. ‘Het was daarom bepaald jammer voor de wakkere organisatoren van deze acties, dat de avond gisteren in Kunstmin niet zo veel belangstelling trok’, stond er in de krant. De zaal was nog niet voor een kwart gevuld.

Op 11 oktober 1970 werd er op de HC-zolder een reünie gehouden. De oud-leden keuvelden en keken dia’s, hoe het vroeger was. In een nieuw foliovel met mededelingen werd de verloving bekendgemaakt van Ans Versluys en Wim Wiessner en die van Lies Wiessner en Edwin Schallig. Enigszins voorbarig werd erbij gezegd: ‘Deze mensen hebben geprofiteerd van het HOBBY CLUB HUWELIJKSBUREAU!!!’ Maar de verlovingen leidden inderdaad tot huwelijken. Na het H.C.-huwelijk van Dick van der Knaap en Jenny Versluys, in 1967, zijn nog maar liefst zeventien Hobby Club paren voor de ambtenaar van de Burgerlijke Stand verschenen, merendeels in de eerste helft van de jaren zeventig. Dat was ten minste een duurzaam resultaat van het zo geprezen samenwerkingsprincipe. Van de gesloten Hobby Club huwelijken heeft twee derde standgehouden. 

Maar de Hobby Club moest verder. De afdeling Fotografie draaide redelijk; voor de reguliere leden werden kastjes gemaakt waarin zij hun fotopapier konden bewaren. Laura, de betaalde kracht van Artistieke Hobby’s, behaalde een tijdlang aardige resultaten met haar pupillen, vooral op het gebied van emailleren. Scheikunde gooide het over een andere boeg door zich om te dopen tot afdeling ‘Natuurwetenschappen’. Er werden kristallen gekweekt en gehaltes van stoffen onderzocht, bij voorbeeld de hoeveelheid cafeïne in thee, coca cola enz. De afdeling Radio werd nu vaker ‘Elektronica’ genoemd, want wie wilde er, na de opkomst van de transistorradio, nog zelf een radio bouwen? Er werd mondjesmaat gewerkt aan elektronische foefjes zoals alarm- en deurbelinstallaties; de omslag kwam echter te laat om de afdeling voorgoed te revitaliseren. De geluidsstudio was nooit werkelijk in gebruik genomen en had gediend als redactieruimte; alle activiteiten van de eertijds zo trotse afdeling Radio speelden zich af in de oorspronkelijke meetstudio, die – beplakt met eierrekjes – ook als geluidsstudio fungeerde, en in een deel van de ruimte die was uitgespaard tussen de studio’s en de donkere kamer. 

Op 1 januari 1971 bezat de HCD 102 leden. Het verlies van oudere leden werd gecompenseerd door de inschrijving van nieuwe leden. De sfeer ging er ook op vooruit. Op 27 februari zat de toneelzaal stampvol voor een filmvertoning. Een maand eerder hadden een paar leden op de algemene ledenvergadering voorgesteld om de HC om te vormen tot een sociëteit, maar dit voorstel dat de basis onder de Hobby Club wegsloeg ging de meerderheid te ver. Wel stelde het bestuur in het vooruitzicht, dat er ook dit jaar af en toe filmavonden, feesten en puzzelritten zouden worden georganiseerd. Een nieuwe lekkage in januari leidde tot een oplossing voor het probleem van niet goed afgesloten kranen: er werd op de Hobby Club een hoofdkraan geïnstalleerd, die later in dat jaar werd aangesloten op het elektriciteitspaneel, zodat tegelijk met het omdraaien van de hoofdschakelaar de waterkranen zouden worden afgesloten. In de aanvoerleiding voor het water zat namelijk een klepje om de watertoevoer in- en uit te schakelen. Het klepje werd bestuurd door een gewone spanning van 220 volt. Dit klepje stond in principe altijd dicht als er geen spanning meer op stond. Het was niet rechtstreeks met de hoofdschakelaar verbonden, maar met een gewone schakelaar, waarmee in de omgeving van het klepje de verlichting werd geregeld. Als de betreffende schakelaar of de hoofdschakelaar op ‘uit’ stond, was het klepje gesloten en kon er dus geen water meer door. Probleem was echter, dat tijdens vorstperiodes sommige schakelaars aan moesten blijven, zodat dan bij het verlaten van het gebouw de hoofdschakelaar niet werd omgedraaid.

Het technologisch vernuft waarmee naar oplossingen werd gestreefd was toch een indicatie, dat de HC-geest ergens nog leefde. De hoop daarop werd ook gevoed door de afdeling Biologie, waarvan oud-lid Frits van Vugt instructeur werd. Eindelijk weer een afdeling waar actief werd gewerkt. Er werd onderzoek verricht aan de hand van boeken als dat van Cyril Bibby (Biologie als hobby. Experimenten voor amateurbiologen, Ruys, Amsterdam). Meelwormen, bacterieculturen en schimmels werden gekweekt en onder de microscoop gelegd. Er werden kikkers gedetermineerd en stukjes anatomie bestudeerd van niet-levende dieren.

De Hobby Puk wordt in 1971 voortgezet, maar net als het jubileumnummer van 1970 verschijnt hij zonder advertenties. Voor het januarinummer bestaat de redactie uit Anja Boogaard en Kees Snoek; met het aprilnummer komt Tom Dogterom de redactie versterken. In september wordt het derde nummer van de veertiende jaargang uitgebracht. Het zou het allerlaatste worden van de in 1953 begonnen reeks. De Puks van 1971 komen in prettige samenwerking tot stand, al is de aanslag van de typemachine met lange wagen behoorlijk zwaar en komt de letter t als een plusteken in de lucht te hangen (volgens Anja heeft hij last van hoeratenen). De eerste Hobby Puk van het jaar bevat onder andere een persoonlijke beschouwing van de heer Van Munster over toneel als hobby, een kampverslag van Margriet Bodbijl en een stukje van Kees Snoek over de poëzie van Gerrit Achterberg. De technische kant is alleen vertegenwoordigd met een biografisch artikel over de lenzenslijper Ernst Abbe, geschreven door de Haarlemmer Paul Porcelijn en overgenomen uit de Hobby Puk van december 1956.

De Hobby Puk van april 1971 is sober gehouden. Alle HC’ers waren opgeschrikt door het bericht dat Gijs van Aardenne in Californië vanaf de Bay Bridge zijn dood tegemoet was gesprongen. In het begin van het jaar had hij nog samen met Anke een bezoek aan de Hobby Club gebracht, het bestuur moed ingesproken, de Hobby Puk geprezen en hoog opgegeven van het vaardige trappenlopen van zijn zoon Bartje. Gijs was manisch-depressief; op de Hobby Club kwamen we soms in aanraking met zijn manische kant, die zich mede uitte in zijn niet-aflatende enthousiasme, zijn optimisme, zijn bezetenheid. Zijn grote verbale gave en doorgefourneerde rationalisme onttrokken zijn donkere zijde aan het oog, waarvoor destijds nog geen medicijnen voorhanden waren. In het ‘in memoriam Gijs van Aardenne’ staat: ‘Het is zeker geen overdrijving, als we zeggen, dat zonder Gijs de Hobby Club niet meer zou bestaan. Maar als we hem herdenken, zal vooral in onze herinnering blijven zijn sympathieke bereidwilligheid je te helpen en de grote eerlijkheid waarvan hij getuigde.’

Verder bevat het aprilnummer onder meer een artikel van Kees Ruurs over een Amerikaanse modelbaanervaring en drie artikelen die verband houden met biologie en de natuur (over specifiek pathogeenvrije dieren en kiemvrije dieren, vogelliefhebberij en de symboliek van rozen). Ook daaruit blijkt, dat de belangstellingssfeer op hobbygebied een verschuiving had ondergaan. 

Leonard de Vries als gastspreker op het Hobby Club congres in 1971.

Op 6 maart 1971 kwam Leonard de Vries op bezoek op de enige Hobby Club die de jaren zestig had overleefd. In navolging van de Hobby Club Paascongressen van weleer, had de HCD op deze dag een aantal jeugdige HC-enthousiastelingen uit het hele land uitgenodigd. Waar kwamen die ineens vandaan? Ook hun belangstelling was gewekt door Leonard de Vries. In 1966 was namelijk bij De Arbeiderspers een omgewerkte versie verschenen van De jongens van de Hobby Club en De Hobby Club breekt baan, onder de simpele maar doeltreffende titel De Hobby Club en in een speelse moderne vormgeving met tekeningen van J. Sanders. De oplage bedroeg meer dan 30.000 exemplaren. In een nawoord werd gewezen op de HCD, met de aansporing aan HC-oprichters in spe om raad te vragen aan deze ‘ervaren’ Hobby Club. In de loop der jaren had de HCD af en toe brieven ontvangen van jongens en meisjes die een Hobby Club wilden oprichten. Nu kwamen er uit zeven Hollandse steden – Rotterdam, Krimpen aan de IJssel, Delft, Gouda, Den Haag en Huizen – belangstellenden naar het Congres dat op de HCD was belegd. ‘Het welkomstcomité begeleidde de hobbyïsten naar de Chr. de Wetstraat, waar de hobby-familie door Leonard de Vries als een glimlachende hobby-vader (overgrootvader volgens zijn eigen zeggen) werd opgewacht.’

Het was een gezellige dag, er was koffie en soep, de jongens uit Den Haag improviseerden een toneelstukje. Er werd besproken hoe een HC het beste van start kon gaan. Eén hobbyist had een leegstaand ziekenhuis tot zijn beschikking, maar de meeste ervoeren als grootste moeilijkheid het vinden van een geschikte ruimte. Het was al niet anders dan in de jaren vijftig. Hoewel de congresserende hobbyisten een serieuze indruk maakten, is het enthousiasme voor het oprichten van een Hobby Club telkens van voorbijgaande aard gebleken. De vele geestdriftige brieven die de HCD vanaf 1966 bereikten kwamen van wel érg jonge kinderen en meestal bleef het bij één brief per persoon. Door de gestegen welvaart zat er ook geen heilige noodzaak meer achter. Sommige brieven, zoals de volgende, zijn onbetaalbaar:

Het woordje samenwerking trof mij erg. En ik wilde een Hobby Club oprichten. Ik ben nog hard bezig, maar nog zonder resultaat. Ik zit in de eerste klas van een ulo maar niemand van de gehele ulo wil meewerken. Ik wil de moed niet laten zakken. Maar als het echt niet lukt dan hou ik op, en ga bij het N.J.N. Ik voel het oplaaien, ik wil vriendschap en samenwerking. De hobby club mag niet verloren gaan! Ik hoop dat uw club nog vele jaren mag bestaan. Bij mij lijkt het erg, erg veel op dat het mislukt. Ik hoop een brief van u te ontvangen. Als ik iets voor uw doen kan dan wil ik dat graag weten.

Na het Congres vermindert weer het aantal handtekeningen in het logboek, maar de afdeling Toneel gaat onverdroten voort: op 8 mei en 11 juni 1971 wordt op de Hobby Club het stuk ‘Zwendelaffaire’ opgevoerd. Afdeling Modelbouw wordt min of meer afgeschreven; in april 1971 wordt althans besloten de afdeling voorlopig niet op te peppen en de ongebruikt staande racebaan in dozen te verpakken. Die rage was uitgewoed. De nieuwe afdeling Biologie nestelt zich aan het uiteinde van de voormalige modelbouwvleugel. Biologie is uitgegroeid tot een zeer goed werkend geheel: er zijn aquaria ingericht, er worden biochemische onderzoekjes gedaan en de afdeling krijgt een microscoop. Aan het ene uiteinde van de vleugel bevindt zich nu Biologie, aan het andere uiteinde Artistieke Hobby’s, met Houtbewerking aan de zijkant. Er wordt besloten de tussenliggende ruimte in te richten als expositiezaal. Op Fotografie wordt eveneens goed gewerkt. Het zijn niet louter vakantiekiekjes die er worden afgedrukt, zo worden onder meer de expressieve mogelijkheden van macrofotografie uitgebuit (bij voorbeeld foto’s van bloemdelen en perzikpitten). Artistieke Hobby’s doet het minder goed en Radio ligt vrijwel op zijn gat. Naarstig wordt er naar oplossingen gezocht. Er wordt gestreefd naar samenwerking met andere organisaties. Met ingang van september krijgen de Veron (Vereniging voor Experimenteel Radio Onderzoek in Nederland) en de afdeling fotografie van de Volksuniversiteit toegang tot het gebouw. De Volksuniversiteit maakt gebruik van de doka, op een niet voor de HC’ers opengestelde avond. De Veron krijgt zelfs het exclusieve gebruik toegewezen van de studio die oorspronkelijk als geluidsstudio was gepland, maar nooit als zodanig was gebruikt. Hiervoor wordt een huur betaald van 25 gulden per maand. Tevens wordt er afgesproken dat de Veron een instructeur zal leveren aan de afdeling Radio, maar die afspraak wordt niet nagekomen. De verhoopte samenwerking, die de afdeling Radio zou hebben kunnen vitaliseren, blijft uit.

Aan een zeurderig gevoel van malaise valt niet te ontkomen: de activiteiten lijken altijd van dezelfde personen te moeten uitgaan. Bram Bogaard stuurt van zijn vakantieadres een kaart, waarop een bus door enkele mensen wordt voortgeduwd. Bram schrijft daaronder: ‘de bestuursleden’. Er zijn ook weer donkere ogenblikken. Op 9 mei 1971 wordt er een inbraak gepleegd op de Hobby Club, waarbij de JADO en twee versterkers verdwijnen. De onmiddellijk erbij geroepen politie noteert vier adressen van verdachte leden. De Hobby Club versterker staat er nog, maar is in twee kleuren overgeverfd. Enkele jongens komen terug om die op te halen, claimend dat het om hun eigen versterker gaat. Zij worden overgedragen aan de recherche. Het bederf komt van binnenuit. Om verdere diefstallen te ontmoedigen, bedenken Bram Bogaard en Jaap van der Leer een alarminstallatie om de buurt bij inbraak te alarmeren. Bram: ‘Het beveiligingssysteem bestaat uit een bedienings- en controlepaneel in de schakelruimte naast de nooduitgang. Hier staat ook de kist opgesteld waarin zich het brein van het systeem bevindt. Bij alarm gaan 3 autoclaxons loeien en treedt een oranje zwaailicht in werking. Het zwaailicht en 2 van de claxons zijn aangebracht boven de ingang van de H.C., op de nok van het dak, zodat de gehele buurt het zwaailicht kan zien. De derde claxon is gericht op de Chr. de Wetstraat.’

In het najaar van 1971 vindt weer een lekkage plaats, door een misverstand over het afsluiten van het water tijdens een vorstperiode. De Hobby Club heeft het moeilijk, juist op het moment dat ze zo zoekt naar haar vorm. Ook worden er periodiek geluiden van gemeentewege vernomen, dat de brandweer zich zorgen maakt over de brandveiligheid op de zolder. Op grond van door de brandweer verricht onderzoek is een kostenraming gemaakt van aanbevolen extra voorzieningen. In een vergadering van de SBHCD, die op 24 juni 1971 in de bestuurskamer van de HCD werd gehouden, was naar voren gekomen, dat de geschatte kosten nogal hoog uitvielen. De stichting besefte dat de HCD daarvoor niet kon opdraaien, ‘vooral omdat de Gemeente zelf de zolder voor dit doel heeft aangewezen en de inrichting geheel in overleg met de Dienst van Publieke Werken heeft plaatsgevonden.’ Het saldo van de Stichting bedraagt op dat moment fl 5859,20, maar dit voor andere doeleinden bestemde geld wordt niet aangesproken voor het verbeteren van de brandveiligheid.

Bij al die problematiek op de zolder, hebben de Hobby Club vakantiekampen nog het meeste succes, hoewel het aantal deelnemers slinkt, vooral in de zomer. Er wordt met twintig leden een pinksterkamp gehouden in een ongerept natuurgebied in het Brabantse Esbeek en met acht leden een zomerkamp op het terrein van boer Raaijmakers in Oirschot, aan de rand van een groot bos en achter de weilanden waar koeien grazen en ’s nachts een uil vliegt. Het is een klein, maar sfeervol kamp, waar een groeiende berg lege beugelflessen van de firma Grolsch de tent van Daan Tits markeert. Er wordt vaak naar het dorp gefietst, waar het appelgebak in café De Zwaan veel afnemers telt, en langs het riviertje de Beerze wordt er uitgekeken naar de zeldzame ijsvogeltjes die daar vaak worden gesignaleerd. Eén keer zien we een blauwe schicht. Het herfstkamp van 1971 telt drieëntwintig deelnemers en wordt in Rucphen gehouden, waar boer Suyckerbuyck geheel de kampeertoer op is gegaan. Een deel van zijn terrein heet nu ‘Camping De Posthoorn’ en er is een houten kantine gebouwd waar ook gebiljart kan worden.

In juni 1971 wordt de Hobby Club een week opengesteld voor de Stichting Vakantie Kinder Feesten, in oktober is er een puzzelrit en een feest, met Jan Kraal en Tom Dogterom als discojockeys. In november bestaat de afdeling Toneel vijf jaar, wat aanleiding is tot een passende viering. De toneelstukken die tot dusverre waren ingestudeerd waren allemaal conventionele blijspelen geweest, maar in 1969 hadden de tonelisten al laten zien, dat ze meer in hun mars hadden en overtuigende improvisaties konden brengen. Ter gelegenheid van het eerste lustrum van de afdeling wordt er een experimenteel spel opgevoerd, dat vorm had gekregen op een aantal zogenaamde ‘experimenteerrepetities’.

Kees Snoek had in juni het voorzitterschap overgenomen van Margriet Bodbijl, die op 1 september 1971 samen met Kees Ruurs naar Amerika vertrok. (In juli 1972 zouden zij in Nederland met elkaar trouwen en na enige tijd naar Canada emigreren). In september 1971 brachten Anja, Kees en Tom de derde Hobby Puk van het jaar uit, gevuld met onder meer ledeninformatie (er hebben sinds januari 26 leden afgeschreven en er zijn er 33 bijgekomen), een artikel van Frits van Vugt over algemene biologie, wat zogenaamde ‘Hobby Kolder’ en de traditionele ‘Puks Peins Pagina’, maar vooral vermeldenswaard is het lange technische en informatieve artikel van Tom Dogterom over drugs, waarin ook vermeld wordt, waar je het spul kunt krijgen: ‘Er zijn genoeg gelegenheden om aan shit te komen zoals popfestivalletjes in het Wantijpark, maar je kunt altijd terecht in Sprankje Groen. Als je echter van plan bent om flink wat geld te besteden, ga dan naar Amsterdam, want dan ben je goedkoper uit, ook als je de treinreis meerekent.’ Ja, Amsterdam was natuurlijk het ‘Magies Sentrum van het Heelal’, maar ook de Dordtse drugsscene mocht er wezen. ‘Sprankje Groen’ op de Voorstraat, voorheen ‘Shiva’ geheten, was een jeugdcentrum waar onbekommerd werd geblowed. Tom, die zich in de komende jaren zou ontpoppen als liefhebber van rode Bordeauxwijnen, houdt de lezer geruststellend voor: ‘Als we veel oudere mensen in Dordt moeten geloven is “Sprankje Groen” een komplete hel waar de jeugd verpest wordt omdat je dààr vooral in kontakt komt met verdovende middelen. Maar als je zelf niet wilt, zullen ze je heus niet dwingen om te gaan roken.’ In het christelijke Dordts Dagblad werd schande gesproken over dit artikel. Het was de eerste keer, dat er in de plaatselijke dagbladpers zo uitvoerig werd stilgestaan bij een nummer van de Hobby Puk!

Toms artikel was verlucht met een tekening van een in hoger sferen verkerend langharig figuur, met in een wolkig ballonnetje de tekst ‘The only way to fly’. Deze tekening, evenals twee andere – van modern geklede hobbyfiguren – was van de hand van Rieke van der Stoep, die hiermee als Hobby Club tekenares debuteerde. Later maakt zij er nog twee tekeningen bij, maar door het stopzetten van de reeks cluborganen kon zij haar rol als opvolgster van Wim Dolk helaas niet verder waarmaken.

Geïnspireerd door het voorbeeld van de landspolitiek, stelde Kees Snoek een nieuwe wijze van bestuursvorming voor, die hij op de ledenvergadering van 15 januari 1972 toelichtte: de toekomstige voorzitter treedt als ‘bestuursformateur’ op, ‘waarbij hij zelf een aantal mensen polst met wie hij na overleg en onderling goedkeuren van het te volgen beleid en programma het nieuwe bestuur vormt. Deze verandering heeft als voordeel dat een grotere eensgezindheid bereikt wordt. Het laatste woord is natuurlijk aan de leden, want die kiezen ten slotte het bestuur op de ALV.’ Het was erop of eronder. Alle betrokkenen waren het er nu wel over eens, dat de oude HC-gedachte niet meer van deze tijd was. We moesten naar een nieuwe vorm toe, waarin toch een zekere hobbygerichtheid behouden zou blijven. Biologie deed het goed, omdat het een ‘moderne hobby’ was, die snaren deed trillen bij de hedendaagse jeugd. Biologie wees de weg. Kees stelde op de ALV van 15 januari 1972, dat uit de eerstkomende maanden moest blijken, of we als vereniging konden doorgaan of niet. De leden zegden hun medewerking toe, maar als het ernst is zeggen leden altijd ja en amen. De notulen van de bestuursvergadering van 9 februari 1972 bevatten de omineuze mededeling, dat de kas zo goed als leeg was en dat de Stichting ‘gepord’ moest worden.

De heer A.E. van Munster, die zich ook zorgen maakte over het voortbestaan van de club, schreef op 25 april een brief aan het bestuur, die begon met de volgende zinnen: ‘De activiteit en het aantal van de HCD-leden loopt achteruit. Mijns inziens is de oorzaak daarvan dat er doelloos gewerkt wordt. Bovendien is de instelling van de jeugd veel meer dan vroeger ingesteld op het sociale vlak.’ Vervolgens opperde hij, dat de HC’ers zich zouden gaan richten op sociaal werk, zoals 1) meubels herstellen voor ouderen en invaliden, 2) sier- en gebruiksvoorwerpen maken en cadeau doen op verjaardagen van alleenstaanden, 3) alleenstaande bejaarden en invaliden bezoeken en 4) toneelavonden houden voor bejaarden, invaliden en alleenstaanden. Echter, in het iktijdperk van de jaren zeventig verdween de sociale betrokkenheid van de jaren zestig als sneeuw voor de zon. In de aangebroken narcistische jaren bezwangerd met hallucinogene geuren bleven Van Munsters suggesties vrome wensen. Juist het gebrek aan solidariteit begon de Hobby Club op te breken.

Maar het laatste punt van Van Munsters verlanglijstje werd verwezenlijkt: de afdeling Toneel zou, meer nog dan voorheen, voorstellingen gaan verzorgen in bejaardentehuizen en andere instellingen met een sociale inslag. Het blijspel waarmee Toneel het meeste succes had in zijn bestaan was ‘De avond van de zevende juli’, op 29 januari 1972 opgevoerd op de Hobby Club, en vervolgens op 17 maart in Amstelwijck, een rusthuis voor nonnen die in de missie hadden gewerkt, op 14 april in bejaardencentrum Vijverhof en in maart 1973 nog een laatste keer, voor de personeelsvereniging van de Nederlandse Spoorwegen, die in het Phil-gebouw in de Lange Breestraat werd gehouden. ‘En hoe groot is de beloning, wanneer de dag van de uitvoering daar is. De aparte geur van de kleedkamer, van schmink, poeder, lijm en pruiken. Die tintelende spanning van: “Hoe zal het gaan” en dan het laatste applaus. De vreugde, de voldoening, de ontspanning.’ (A.E. van Munster, Hobby Puk, januari 1971). De opvoering op de Hobby Club zelf gaf zeer veel voldoening: niet alleen was de zaal helemaal tot achterin gevuld, maar ook ontving de heer Van Munster als blijk van erkenning voor vijf jaren inspirerende regie het onderscheidingsteken van de Hobby Club, het zilveren H’tje.

Inmiddels waren eigenlijk alleen Toneel, Biologie en Fotografie actief. Andere, nieuwe hobby’s waren niet zo een-twee-drie te bedenken. Er vinden ook andere activiteiten plaats, zoals een bezoek aan de Escher tentoonstelling in het museum Boymans-Van Beuningen, in januari, en een carnavalsviering in februari: het boven-Moerdijkse Dordrecht ontwikkelde zich ineens tot carnavalsstad met zijn ‘Merwekrabbers’ en ‘Prins Krabbejanus’. Ook de Hobby Club kreeg hier een tikje van mee. Verder was er weer iets om naar toe te werken, namelijk de viering van vijf jaar officieel verblijf op de zolder. De viering op 6 mei 1972 werd een succes. Na een openingsrede werd de oude Hobby Club film vertoond, gevolgd door de sketch ‘De jarige H.C.’, samengesteld door Jan Kraal (een hanenbalk stelde de HCD voor, de balk kreeg een zilveren H’tje opgespeld), daarna de door Kees Snoek geschreven eenakter ‘De colporteur op zondagmiddag of Dicentra spectabilis’, waaraan ecologische bekommernis ten grondslag lag. Na de pauze volgden: ‘Spreekkoor’ (een sketch van Jan Kraal), ‘Moord’ (een korte eenakter, geschreven door de heer Van Munster), ‘En route’ (een sketch van Jan Kraal) en een diaprogramma. De avond werd een buitengewoon succes. Het was de laatste keer, dat vele oud-leden naar de zolder togen.

Philips doneert een handsteelstofzuiger; maar van het oude HC-ideaal valt het stof niet weg te blazen. Een van de leden pleegt een inbraak in de Bar. Het bestuur zint op een radicaal herindelingplan; in verband hiermee zullen de Veron en de Volksuniversiteit niet langer gebruik kunnen maken van de lokaliteiten van de HCD. Op 27 mei 1972 wordt een ALV bijeengeroepen, waarop Kees stelt dat het bijzonder slecht gaat met de club. Het bestuur heeft dan ook besloten tot een opschorting van de gewone activiteiten en een ‘structureel-planologische verandering van de Hobby Club’. Na de ondergang van Modelbouw was de vleugel bij de ingang een moeilijk in te delen ruimte gebleven, waar weinig van uitging. De andere vleugel was veel populairder door de aanwezigheid van de bar, die als een magneet de leden naar zich toe trok. Op voorstel van Jan Tom en Ron Borger zal deze vleugel geheel worden omgetoverd tot ‘gezelligheidsruimte’, terwijl de voormalige modelbouwvleugel vrijwel in zijn geheel als toneelzaal zal worden ingericht. Deze grootser opgezette zaal, die Toneel niet met andere faciliteiten hoeft te delen, zal op de gewone hobbyavonden worden afgesloten. Op de gewone openingstijden wordt zo het in gebruik zijnde oppervlak van de zolder kleiner en gezelliger. Verder moet er, als gevolg van deze radicale verandering van de twee vleugels, met diverse afdelingen worden geschoven. De afdeling Biologie, die al een jaar achterin de voormalige modelbouwvleugel opereerde, moet verhuizen naar de ruimte aan het begin van de vleugel, waar Artistieke Hobby’s al sinds november 1968 haar stekje had gevonden. Op haar beurt verhuist de afdeling Artistieke Hobby’s naar de afgescheiden ruimte tussen de doka en de afdeling Radio, waar zich de bestuurskamer bevindt. De afdeling Houtbewerking krijgt het gedeelte daarnaast toegewezen, zodat de afdeling Radio nu helemaal geconcentreerd wordt in de ene studio die haar resteert. Het bestuur zal voortaan de voormalige Veron-studio gaan gebruiken. Voor afdeling Artistieke Hobby’s betekent dit een nieuwe impuls, want zij zal de afscheiding verder opbouwen en aan haar kant versieren met een fraaie plastiek in felle kleuren van een soort van tropische palm in een zonovergoten landschap. Er zit een risico aan de nieuwe indeling: de bloeiende afdeling Biologie wordt in haar activiteiten gestoord en moet daarna opnieuw opstarten. Het risico wordt genomen. De leden aanvaarden het plan. Ron Borger loopt rond met plannen voor een afdeling Film.

De maanden na deze beslissing (met in de vakantie het intermezzo van de door de Gemeente geplande en bekostigde Vakantie Kinder Feesten activiteiten op de HC-zolder, evenals het jaar ervoor) wordt er aan de herindeling gewerkt, maar het aanvankelijke enthousiasme zakt weldra in. In augustus wordt gesteld, dat we veel last hebben van de leden in de leeftijdsgroep van 16 tot 18 jaar, terwijl juist de leden van 13 tot 16 jaar redelijk actief zijn en de leden die de 18 zijn gepasseerd zich rustig houden. In november draagt Kees zijn voorzittershamer over aan Bram Bogaard. In het jaarverslag over 1972 wordt de weinig rooskleurige situatie nog enigermate toegedekt: ‘Tot slot zouden we kunnen zeggen, dat de laatste maanden van het jaar bij de verbouwing is gebleken, dat slechts een kleine groep zich met volle inzet en toereikende interesse voor de Hobby Club wilde inspannen. Terecht kunnen wij deze kleine groep de basis van de Hobby Club noemen. Of deze basis breed genoeg zal zijn, zal in 1973 moeten blijken.’

De Hobby Club kampen van 1972 geven ook een afkalvende belangstelling te zien: aan het pinksterkamp te Udenhout nemen nog 21 leden deel, maar het zomerkamp te Oirschot en het herfstkamp te Rucphen worden elk door slechts tien leden bijgewoond. De grotere welvaart, die jongeren in staat stelde in het buitenland op vakantie te gaan, had in de loop der jaren al geleid tot een afname van deelnemers aan het zomerkamp, maar tot dusverre waren de HC-vakantieweekends juist heel populair geweest. In 1973 zet de trend zich voort: er wordt een paaskamp gehouden in Oirschot, waar zich 14 leden voor inschrijven, een zomerkamp te Oirschot met 12 leden en een herfstkamp te Rucphen met 10 leden. 

Inmiddels had de Stichting voor Culturele Educatie in de Nieuwstraat een hobbycentrum ingericht, dat toegankelijk was voor alle leeftijden. Het bleek, dat ouderen meer behoefte hadden aan hobbyactiviteiten dan de jongeren van 13 t/m 23 jaar die de Hobby Club bevolkten. Secretaris Jan Tom, studerend in Nijmegen, schrijft in de uitnodiging voor de ALV van januari 1973: ‘Ik vraag je nadrukkelijk te komen, omdat op deze avond belangrijke mededelingen over de situatie op de HCD gedaan zullen worden. Dit zou wel eens de laatste ALV kunnen worden.’ De leden beloven weer veel op de ledenvergadering, maar er komt weinig tot niets van terecht. De bestuursleden, die door studie en werk vaak op de woensdagavond verhinderd zijn, zien het steeds minder zitten. Er is wel een kleine groep leden, die er plezier in vindt de ‘gezelligheidsruimte’ verder in te richten en te verfraaien.

Alleen de afdeling Toneel gaat gestaag verder. Op 10 en 17 februari 1973 wordt het toneelstuk ‘De zon tegemoet’ op de Hobby Club opgevoerd en in maart in Amstelwijck. De eerste opvoering trekt een honderdtal belangstellenden. Op 30 maart 1973 ontvalt ons de voorzitter van de SBHCD, de heer J. Dortwegt, die vooral in het contact met de Gemeente veel voor de Hobby Club heeft gedaan: ‘De nuchtere en heldere adviezen die hij gaf, kwamen uit een belangstellend en warm meelevend gemoed. En hierdoor heeft hij de sympathie van vele bestuursleden gewonnen.’

Deze necrologie is afgedrukt in een nieuw mededelingenblad in folioformaat, Vanonder de hanebalken, waarvan twee nummers verschijnen, in maart en in mei 1973. In het eerste nummer wordt gesteld, dat het grootste deel van de verbouwing achter de rug is, dat de heer Van Munster zeer goed te spreken is over de nieuwe toneelzaal en dat de nieuwe recreatiezaal van uitstekende kwaliteit is. In deze ‘ontspanningszaal’ treft het moderne interieur in de kleuren groen en oranje. Een strook van de zolder is beplakt met zilverpapier, in het visnet dat al jaren daarvoor aan het plafond was bevestigd hangt nu ook een zwaailamp, die de schemerige ruimte af en toe hel verlicht. Achterin op het podium is een discobar gecreëerd. Overal zijn zitgelegenheden gecreëerd, met kussens, tafeltjes en stoeltjes. Aan de wanden hangen affiches van de surrealist Labisse en van de in die jaren onvermijdelijke Che Guevara. Boven de bar is een apart ogend pannendak gemaakt en als we achterin op het podium zitten, zien we recht tegenover ons een levensgroot damesoog ons aanstaren vanuit een geschilderde compositie van blokken en cirkels. Binnenkort komt er ook een tennistafel bij. Maar probleem blijft de geringe opkomst op de HC-avonden.

Bram Bogaard schrijft dat het bestuur dit jaar alle afdelingen serieus op gang wil brengen, voorzover dat nog niet het geval was, dat wil zeggen naast Toneel ook Fotografie, Radio, Artistieke Hobby’s en Biologie/Chemie. Over Modelbouw wordt niet gerept: die afdeling was allang afgeschreven. Er zullen prijsvragen worden uitgeschreven met onderwerpen waarover de leden van de afdeling Fotografie foto’s moeten trachten te maken. Het eerste onderwerp is: milieuvervuiling. Kees Snoek schrijft dat de in het verleden voorgestelde veranderingen niet ver genoeg gingen: ‘want deze kleine concessies aan de heersende smaak betekenden geen totale ommekeer: we hielden steeds (vaak krampachtig) vast aan het oude HC-ideaal van: hobbiën, hobbiën, niets dan hobbiën.’ In mei 1972 wilde het bestuur hieraan iets veranderen, door een nieuw ideaal te scheppen. We zullen zelfs op den duur een andere naam moeten aannemen dan ‘Hobby Club’, en met het woord ‘propaganda-actie’ hoef je niet meer aan te komen, want dat wekt alleen maar associaties met padvinders in korte broeken, trompetten, vanen en strijdliederen. ‘Hieraan kan men de conclusie verbinden, dat de “hobby club” (ook al zo’n belaste naam) die zo’n “propaganda-actie” organiseert, maar een muffe, ouderwetse bedoening is. Deze conclusie is bij een actie niet alleen schadelijk voor ons image, zij kan ook dodelijk zijn voor onze actie zelf.’

Op de ALV van januari 1973 was besloten om één jaar lang, als proef, mensen boven de 24 jaar toe te laten tot het lidmaatschap. Gedurende dat jaar zouden ze geen stemrecht bezitten. In Vanonder de hanebalken, nr. 2 (mei 1973), wordt dit gecorrigeerd: leden boven de 24 krijgen wél stemrecht, alleen niet over de kardinale vraag of de proefmaatregel een vast artikel in het Huishoudelijk Reglement zal worden. De proefmaatregel was een poging om de basis van de Hobby Club te verbreden, maar de HCD was in zijn bestaande constellatie eigenlijk niet aantrekkelijk voor oudere leden, en er is ook niet serieus geprobeerd hen te werven. Enkele jonge leden maken in het voorjaar van 1973 zeshonderd circulaires ter verspreiding (via de docenten) op enkele huishoudscholen en een LTS, maar de actie heeft geen succes: er komt niemand opdagen. Dit plaatst een domper op het door de verbouwing gegenereerde enthousiasme.

De desintegratie van de Hobby Club is compleet. Er waren twee blokken ontstaan: de ‘jonge’ en de ‘oude’ leden, maar die blokken zelf waren ook weer in zichzelf verdeeld, diffuus. Op 16 mei 1973 wordt Wim Gijzen, een van de meest serieuze jongeren, in het bestuur opgenomen, maar het jongerenblok als geheel blijft pressie uitoefenen om de Hobby Club te transformeren tot iets geheel anders. Jan Tom, in maart 1973 voorzitter geworden, en Bram Bogaard, die als vice-voorzitter in het bestuur blijft, ageren tegen het schenken van alcohol op de club. Zij willen eigenlijk de club opheffen, maar stuiten op verzet van de jongere leden, de enigen immers die hele avonden aanwezig zijn. Het bestuur bestaat in mei 1973 uit één persoon van 26 jaar, twee leden van 22 jaar, één van 21 en één van 15. Die van 15, Wim Gijzen, constateert dat er op gemiddelde avonden slechts tien, hooguit vijftien leden aanwezig zijn. Het ledental van de HCD is gedaald tot 53 leden, die bij elkaar maandelijks 156 gulden aan contributie afdragen, waarbij dan nog de winst van de bar komt als een van de regelmatige inkomsten.

Op een vergadering van 10 mei 1973 met de SBHCD stelt Stichtingspenningmeester Jhr. Mr. W.H. de Savornin Lohman dat er te weinig leden zijn voor een gezonde financiële basis van de Hobby Club. Op 16 augustus 1973 vindt er nog een gesprek op het Hof plaats tussen de heer F.J. Bleijerveld van de Stichting voor Culturele Educatie en Jan Tom, die wordt vergezeld door Kees Snoek. Frans Bleijerveld stelt voor reclame te maken via de Drechtstedenagenda in de krant en te gaan samenwerken met de groep ‘Jonge Onderzoekers’, maar eigenlijk zien Jan en Kees dat niet werkelijk zitten; ze zijn in feite gekomen om hun nood te klagen over de welvaartsmentaliteit die hun club naar de ondergang voert. Alleen Toneel, Fotografie en Biologie hebben nog toekomst, ook al is de laatste afdeling in een impasse geraakt door het vertrek van haar oprichters, die om studieredenen geen tijd meer hebben. Tussen deze afdelingen in bevinden zich op de zolder chaotische gedeelten ‘die doornen in het oog zijn en de totaalindruk niet al te best maken’. In december 1973 voert de afdeling Toneel in kerstherbergen twee maal een door Kees geschreven kerstspel op, ‘Geen pudding met slagroom of De verwachting’, welks boodschap min of meer inhoudt dat de zuiverheid van de taal moet worden herwonnen.

Maar op 10 november 1973 was de verantwoordelijkheid voor de Hobby Club Dordrecht al overgedragen aan een geheel nieuw bestuur. Bram Bogaard ontving bij deze gelegenheid het laatste zilveren H’tje uit de roemruchte geschiedenis van de HCD.