HOOFDSTUK II

DE HELLING OP

1 oktober 1953 – 23 januari 1960

Hobby Clubgebouw aan De Hellingen.

Hellingen, nummer 19 (later omgenummerd in 7): een oud pakhuis in een oude buurt. Je staat buiten voor een grote deur, een poort eigenlijk, je plaatst je fiets beneden, je loopt de trap op, stoot het houten luik open, en de hobbyzolder strekt zich voor je ogen uit. Een lokaal van 4 bij 23 meter, bij een hoogte van 4 meter. Aan de korte zijde die het dichtst bij de ingang ligt, bevindt zich een donkere kamer van 4 bij 2 meter, die 2 meter hoog is, met een lichtsluis ervoor. Daarboven zie je twee studio’s, met een totaaloppervlak van 4 bij 3 meter. Aan de tegenoverliggende zijde van de zolder bevinden zich de magazijnen en daarboven de afdeling Artistieke Hobby’s en een bar. Daartussenin strekken zich 23 meter hobbyterrein uit, met een modelbaan, werkbanken en tafels van de afdeling Radio. Naast de opgang naar de bar is het hoekje van de afdeling Scheikunde, met een gifkast aan de muur. Iets daarvoor staat een immense, roestige kachel, die ’s winters wordt gevoed met cokes en allerlei houtafval.

Dat was niet wat Hobby Club Dordrecht kreeg, maar zo zou het na vele inspanningen worden. Zo heb ik het nog gekend. Maar de HCD kreeg wél een prachtige zolder van een prachtig pakhuis, waar een heleboel aan te verbouwen zou zijn, maar dat in elk geval vrij was van scheuren, vrij van tocht en lekkages.

Het was een aanbod van de Firma Van Dijk & Co., een kalkfabriek. De vader van Jaap Dortwegt werkte daar en de directeur van die fabriek heette Kees van Dijk. Dat was een enigszins excentrieke man die er paarden op na hield en een koetshuis had. Soms reed hij in zijn koets triomfantelijk door de binnenstad, voortgetrokken door zijn paarden. De huur die hij vroeg voor de zolder van zijn pakhuis was: fl 0,00. De firma deed meer: er werd een plaat beton gestort voor de kachel. We schrijven 1 oktober 1953: de HCD vestigt zich op de Hellingen. De naam van die straat heeft te maken met het feit dat hier in de achttiende en negentiende eeuw veel scheepswerven waren gevestigd. Als een schip varensgereed was, werd het vanaf de helling te water gelaten, de Spuihaven in, en vervolgens de grote rivieren op. Maar de meeste van die scheepswerven waren langzamerhand uit het centrum van de stad verhuisd naar andere locaties of verdwenen. Je had enkele scheepswerven (zoals Hoebee, een donateur van de HCD) op de Staart, een excentrisch gelegen wijk in de richting van Papendrecht, maar de buurt rond de Hellingen was zo’n beetje verworden tot een achterbuurt. In Dordrecht komt de straat voor in de uitdrukking: ‘Je komt zeker van de Hellingen’, wat zoveel betekent als: je bent niet goed snik. Op de Hellingen was namelijk ook een instituut voor geesteszieken gevestigd. Maar de leden van de HCD konden hun vreugde niet op. Alle spullen werden met vrachtauto’s van Penn & Bauduin overgebracht. Onder leiding van J. Snellenberg werd een houten trap naar de zolder gemaakt, maar tijdens de inrichting van de zolder gaf deze wakkere leider van modelbouw en houtbewerking er plotseling de brui aan, naar eigen zeggen op grond van een hem aangedane belediging. De Hobby Club bleef al met al een club van en door jongeren.

Gijs schrijft aan soldaat Tromp:

Van dat smerige, bouwvallige, lekkerige en tochtige pakhuisje zijn we ingetrokken in een groot, ruim, fris, droog en keurig pakhuis, waar de luchttoevoer geregeld kan worden (’s zomers kan alles open, ’s winters is het volmaakt tochtvrij). Er is licht van opzij en van boven en er is een waterleiding (nog niet aangesloten). De electriciteitsvoorziening is uitstekend (220 V., eigen meter met stoppen naar believen) en meer dan drie maal zo goedkoop. We krijgen er een kachel en erg veel medewerking. Verder hebben we van P&B [Penn & Bauduin] een zware werkbank gekregen met een zware bankschroef (om maar niet te zeggen zéér zwaar) en waarschijnlijk zullen we nog een grote hoeveelheid hout krijgen.

Samenwerking met de Hobby Clubs Den Haag en Kijkduin leidde tot de uitgave van een gezamenlijk kerstnummer van de Hobby Puk en M[aandelijkse] M[ededelingen], met een gekleurd omslag. Het blad bevat onder meer een aankondiging van de vierde Hobby Club roman van Leonard de Vries: De Hobby Club breekt baan, na De jongens van de Hobby Club (november 1947), De Hobby Club op avontuur in Zwitserland (augustus 1948) en de Hobby Club op avontuur in de U.S.A. (eind 1952). De Hobby Club breekt baan wordt geprezen als ‘Een prachtig handboek voor de H.C.’s en haar besturen. Een vlot geschreven boek, nog beter dan de vorige boeken.’ Het zou de laatste Hobby Club roman zijn. Een aangekondigd deel met de titel ‘De Hobby Club bouwt modelstad’ is nooit verschenen. Het kerstnummer van Hobby Puk/M.M. bevat ook nieuws over een propaganda-actie van de HCD, die was gepland voor de week van 2 tot 9 januari 1954.

De propagandaweek werd mede ondersteund door een extra Hobby Puk editie van 12 pagina’s, waarvoor Dr. I. Vijlbrief, de strenge rector van de Dordtse HBS, een minzaam voorwoord schreef waarin hij de nadruk legde op het belang van eigen initiatief. Er was ook veel propaganda gemaakt in de plaatselijke pers, de HCD kreeg naamsbekendheid. Gijs aan soldaat Jan: ‘Je hebt natuurlijk wel begrepen dat onze voorgenomen propagandaweek is doorgegaan. Hoewel ik mij optimistisch tegenover iedereen heb uitgelaten (dat moest wel, want het moest doorgaan, wilde er nog iets van de Hobby Club terecht komen), was ik eigenlijk helemaal niet zo optimistisch. Voornamelijk met de hulp van Hans Diemel hebben we de gehele Kerstvacantie werkelijk gezwoegd om alles nog op tijd klaar te krijgen. De medewerking die we van allerlei instanties gehad hebben viel werkelijk 100% mee!’ En ook de propagandaweek zelf viel mee, ja overtrof de verwachtingen: ‘Het bleef de gehele week een succes dat ik niet had durven hopen.’ Opening door de heer Van Gijn (wethouder van onderwijs), redevoering van Leonard de Vries over het Hobby Club werk, persfoto’s, filmvoorstellingen, proefjes van de afdeling Scheikunde, demonstraties van de afdeling Radio met een taperecorder en de oscilloscoop en zelfs een werkend televisietoestel, en daarbij nog een permanente tentoonstelling van werkstukken van leden.

De inspanningen leidden tot een verdubbeling van het ledental: er kwamen 25 nieuwe leden bij, ‘jammer genoeg voor het grootste deel “klein grut”’, maar – aldus Gijs – ‘heel wat enthousiaster dan de meeste oude leden.’ Na de tentoonstelling werd alles aan de kant gezet onder leiding van een jongeman van 29 jaar, die ook lid geworden was (zij het, omdat hij ouder was dan 23, zonder stemrecht). Hij had met zijn artistieke werkstukken een grote bijdrage geleverd aan de tentoonstelling, maar zette bij het opruimen alle voorwerpen van Radio op de grond, waarbij Jan Tromps kathodestraalbuis sneuvelde: een ‘gevoelig verlies voor de H.C.’ Toen de HC’ers weigerden hem als beloning voor zijn activiteit tot voorzitter te bombarderen, bedankte hij voor het lidmaatschap. De terugslag bleef ook anderszins niet uit. Er moest nog zóveel gebeuren aan het gebouw zelf. De nieuwe leden die er door de tentoonstelling bij waren gekomen vonden hun bedje niet gespreid, wat voor sommigen aanleiding was om ermee te kappen. Maar degenen die met de ware HC-geest waren bezield, en dus van aanpakken wisten, zetten door. Met name Piet Megens onderscheidde zich: hij timmerde rekken voor het magazijn, twee flinke radiotafels, twee tafels voor modelspoorwegen en vier banken.

Hoe ging het intussen met de NBHC? In een brief van 21 augustus 1953 aan de HC Den Haag had Gijs te kennen gegeven, dat de Bond eerder vertragend dan stimulerend op de HC’s werkte. Er leefden klachten over de lakse houding van de hoofdbestuursleden. Bovendien waren op het congres van 1953 door een meerderheid van de HC’s (maar met de stemmen van de HCD tegen) nieuwe statuten aanvaard, waardoor de NBHC voortaan niet meer een overkoepelend orgaan zou zijn waarin zich zelfstandige clubs hadden verenigd, maar een bond met een aantal afhankelijke afdelingen. De NBHC gedroeg zich daar ook naar. Telkens werd verantwoording gevraagd, alles moest van de HC’s komen. Maar er kwam weinig van de Bond en dat zette kwaad bloed. Vergaderingen werden ‘wegens organisatorische moeilijkheden’ dikwijls uitgesteld. De bemoeienis van de HCD met de Bond was minimaal: nooit heeft enig lid van de HCD zitting genomen in het Dagelijks Bestuur van de Bond. Op het Paascongres van 1951 was Anthon Adriaanse gekozen tot regionaal commissaris. Gijs had hem gefeliciteerd en gezegd: ‘Ga maar vlug je rijbewijs halen. Mijn vader heeft nog een oude Ford staan, daar kun je dan het land mee in.’ Anthon had echter geen geld om een rijbewijs te halen en van het commissaris spelen kwam weinig terecht. Wel deed hij een goede vergadertechniek op tijdens de congressen, waar altijd een bijzonder prettige en amicale sfeer heerste. Gijs zelf zou op het Paascongres van 1955 tot regionaal commissaris worden gekozen, maar daarmee had de NBHC een fervent criticus in huis gehaald, die het in zijn landelijke functie slechts één jaar zou uithouden. 

Van 25 mei tot 7 juni 1954 bemande de Hobby Club Dordrecht samen met Eric Jansen uit Rotterdam en Ben van Tongeren uit Heemstede een stand op de hobbytentoonstelling De Gouden Schakel in de Ahoy-hallen te Rotterdam. Het leeuwendeel van de werkstukken was gemaakt door Piet Megens, terwijl Tonny van Dongen en Hans van der Schulp veel vrije tijd offerden om de tentoonstelling te doen slagen. De Stichting kreeg een nóg gunstiger indruk van de Dordtse hobbyisten en schonk fl 100,- en acht TL-balken. De stand was eigenlijk van de NBHC, maar hij was bijna geheel gevuld met materiaal van Hobby Club Dordrecht. NBHC-voorzitter Jan de Pijper schreef in De Bondskrant: ‘de oorspronkelijke opzet, n.l. inzendingen uit het gehele land, is mislukt en dat is te betreuren.’ De betaling van de Bondscontributie bleef echter een heet hangijzer: de clubs werden verplicht de verschuldigde contributie aan het landelijke Hobby Club werk bij elk lid persoonlijk te innen. Gijs schreef op 27 november 1954 aan de NBHC dat de handelwijze van de Bond bij sommige leden tot verbijstering had geleid en dat zij pertinent weigerden hun namen op te geven.

Op lokaal niveau timmerde de HCD behoorlijk aan de weg: in februari 1954 had de gemeentepolitie de Hobby Club de opdracht verstrekt om twee zeepkistauto’s met trapbeweging te maken voor haar verkeersplein, ‘en waarschijnlijk ook een tape-recorder, waarvoor wij al het materiaal van de gemeente krijgen.’ De leden, merendeels jongens, waren goed bezig. Zó beschrijft Piet Megens een brand van autobanden op de Hellingen: ‘Hedenmiddag werden de aanwezige clubleden vergast op een daverend vuurwerk. Dit schouwspel [...] werd door de Hobbianen, hoewel ze diep medevoelden met de eigenaar, wiens autobanden zich langzaam maar zeker in de vloeibare en gasvormige aggregatietoestanden omzetten, met luid gejuich begroet.’ Gijs van Aardenne, die zich in februari uit het bestuur had teruggetrokken, meende echter dat het nieuwe bestuur teveel op zijn beloop liet. Er vonden enkele diefstallen plaats, weliswaar niet van ernstige aard, maar die toch te denken gaven. Door het gebrek aan leiding daartoe in staat gesteld, pleegden enkele leden sabotage. Op 26 juni 1954, na een felle verkiezingsstrijd, was Gijs weer terug als secretaris en was Jaap Dortwegt tot voorzitter gekozen. Hans Diemel beheerde sinds februari 1954 de penningen en zou dat baantje tot januari 1959 blijven vervullen. In juni werden meer ambitieuze plannen gelanceerd die de HCD op een hoger niveau moesten brengen: er zou een goede doka moeten worden gebouwd en een eigen HC-zender geïnstalleerd, terwijl er ook moest worden toegewerkt naar radiografische afstandsbesturing van modellen.

Leonard de Vries en C.J.J. Wiedhaupt namen in juni 1954 de redactie op zich van een nieuw tijdschrift: Ahoi. het blad voor jonge mensen, dat bij een andere uitgeverij ging verschijnen, die echter ook commerciëler was ingesteld. Op een verzoek van de HCD de adressen van de abonnees in Dordt te verstrekken (potentiële nieuwe leden!) kwam in december 1954 het volgende briefje terug:

Mijne Heren,

Hiermede komen wij terug op Uw brief van 27 November. Wij moeten U mededelen dat wij U niet de namen en adressen van de abonné’s in Dordrecht en omgeving kunnen verstrekken.

Hopende U de volgende keer beter van dienst te zijn geweest, tekenen wij

Hoogachtend,

ADMINISTRATIE AHOI.

Een koud briefje. Maar toen had Leonard de Vries de redactie al verlaten. Na enige tijd had hij zich gedesillusioneerd teruggetrokken, omdat zijn enthousiasme niet aansloot bij de strikt zakelijke opzet van de Technische Uitgeverij H. Stam te Haarlem, haar samenwerking met de SBHC ten spijt. De droom vervloog, en na wederom een reductie in formaat verscheen in oktober 1957 het laatste nummer van Ahoi. Het blad werd nog opgevolgd door Na Vijven, dat echter geen lang bestaan was beschoren.

Eind juli 1954 bezat de HCD weer een volledige radioreeks, enkele versterkers en een ‘electronenstraaloscillograaf’ (destijds heette een oscilloscoop nog ‘oscillograaf’). Het ledental bleef ongeveer gelijk: precies dertig in oktober. Het bestuur achtte de tijd rijp voor gemeentesubsidie en diende daartoe een verzoek in. Op 27 oktober werd de waterleiding aangesloten. ‘Ter gelegenheid van deze feestelijke gebeurtenis kreeg ieder lid gratis een slok water aangeboden. Hoera!’ Desondanks kwam afdeling Scheikunde niet meteen op gang. Radio bleef de meest actieve afdeling.

Werk aan de scheiding tussen studio en doka door middel van een tussenvloer.

Januari 1955. Er wordt een begin gemaakt met het plan Studio-Doka. Eerst moet er een tussenvloer komen om de doka beneden te scheiden van de studio’s boven, die als het ware in de lucht komen te hangen. Op foto’s van de bouw zien we een balanceeract van Jaap Dortwegt en Chris Schepers. Als het erop aankwam, werden de handen uit de mouwen gestoken. Vele Hobby Clubs in den lande hadden in zekere perioden van hun bestaan meer weg van een aannemersbedrijf. De verbouwingsactiviteiten versterkten niettemin menigmaal de onderlinge cohesie. Eenmaal volwassen geworden, draaiden veel leden later niet de hand om voor een verbouwing van hun eigen huis. In mei 1955 werd op de HCD besloten de oude traditie van gezamenlijke broodmaaltijden op de club weer op te vatten. Ook kwam men toe aan recreatieve bezigheden buitenshuis: zo werd er op 29 mei 1955 door enkele leden een kanotocht gehouden. In de zomer kwamen op afdeling Radio een grote HC-versterker en een toongenerator tot stand en werd er een begin gemaakt met de aanleg van een zendantenne. Gijs aan Jan Tromp: ‘Er is nog veel meer moois, maar dat moet je allemaal zelf maar komen bekijken. Ik geloof, dat we langzamerhand, als het nodig is, al over minstens zes oscillografen kunnen beschikken.’ De Gemeente Dordrecht kende een eenmalige subsidie toe ter waarde van fl 87,68. Een actie van dagblad De Dordtenaar, waar directeur L.W.A. de Bot zich achter had gesteld, bracht fl 242,50 op. Dankzij deze financiële meevallers kon de waterleiding voor de doka worden aangelegd en de inrichting van doka en studio’s worden voltooid. Op 21 november werd een aanvraag ingediend voor een zendmachtiging.

Piet Megens begon aan een lichtbak waarin de karakteristieke gestileerde letters van het ter ziele gegane technische en populair-wetenschappelijke tijdschrift Hobby Club lichtblauw oplichtten, ter opluistering van de entree en als duidelijk herkenningsteken van het Hobby Club lokaal.

17 december 1955: ‘Studio II – Studio I – trap af – links om – trap af – links om – onder de afrastering door – tussen het pas gestorte beton door – links om – onder het zeil door – rechts af – links om de eerste trap op – langs smal pad rechts om de tweede trap op – links om langs afgrond en derde trap op – via dakraam en dakgoot dak op (v.v.) Dit traject is vanmiddag weer heel wat keren afgelegd, want er werd weer aan de antenne geëpibreerd(t)?!’ schreef Adri Verheul in het logboek. ‘Epibreren’ was een niet-bestaand woord dat indertijd door Simon Carmiggelt was gelanceerd om de spot te drijven met gewichtigdoenerij. Ook de buitenwereld drong door tot de Hobby Club Dordrecht!

Op 12 november 1955 was Groep X opgericht (leden: Jaap Dortwegt, Gijs van Aardenne, Hans Diemel, Arend Kastelein, Piet Megens, Adri Verheul), ‘een onderafdeling van de Nederlandse Bond van Hobby Clubs, afdeling Dordrecht, welke zich ten doel stelt het uitdenken, ontwerpen en uitvoeren of doen uitvoeren van bijzondere projecten.’ Leonard de Vries’ boek De Hobby Club breekt baan had het model verschaft voor de ‘in een waas van geheimzinnigheid’ gehulde Groep X: de jongensromantiek voerde weer hoogtij. Op de HCD zou Groep X het beheer voeren over de studio’s, die alleen toegankelijk waren door op een kiesschijf de juiste cijfercombinatie te draaien. Gijs aan Jan Tromp: ‘Alleen bij het juiste nummer is de deur te openen en bij het draaien van een fout nummer wordt de deur voor drie minuten geblokkeerd. Reken zelf de kans maar uit, dat iemand die het juiste nummer niet kent binnen komt!’ Het elektrisch slot en de kiesschijf zouden de geschiedenis ingaan als de ‘ieed’. De eerste officiële code die werd gedraaid was namelijk: 9554. Dit was het privé telefoonnummer van de heer C.J. Ruurs, inspecteur voor sport- en jeugdzaken van de gemeente Dordrecht, die op woensdagmiddag, 27 december 1955 de studio’s en donkere kamer in gebruik stelde door op de kiesschijf zijn eigen nummer te draaien. Iedereen hield de adem in, maar de deur ging feilloos open.

De HCD deed het niet slecht, nu overal in den lande het Hobby Club tij begon te verlopen. De Bond telde nog maar een stuk of twaalf ‘afdelingen’, waaronder HC Haarlem en HC Alphen a/d Rijn hoge ogen gooiden. Het Hobby Club Paascongres vond in 1956 plaats te Heemstede, maar geen enkel lid van de HCD was daarbij aanwezig en Gijs had zich niet herkiesbaar gesteld als commissaris. De eigen club eiste alle aandacht op. In januari 1956 werd een propagandaweek gehouden, bij welke gelegenheid de zolder officieel in gebruik werd genomen. Burgemeester Mr. J.A.H.J. van der Dussen zou zich in 1975 nog goed herinneren hoe hij ‘de toen slechts met enig levensgevaar te bereiken zolder van de fa. Van Dijk aan de Hellingen voor gebruik door de Hobby Club’ opende. Hij deed dit door een druk op een knop, waardoor de Posthoorngalop begon te schallen. Hoewel de organisatie wat stroef verliep, gaven zich toch twaalf leden op, en beurde de H.C. fl 41,- van donateurs. Het aantal bezoekers bedroeg 250 à 300, inclusief de bewoners van de Hellingen, die een speciale uitnodiging hadden ontvangen. ‘Goodwill’ was het toverwoord dat het bestuur hanteerde, goodwill verwierf de HCD in die tijd. Vooral Gijs van Aardenne zorgde daarvoor met zijn brieven aan allerlei instanties. Bij de Gemeente stond de HCD al goed aangeschreven, maar dat betekende niet dat het verwerven van een structurele jaarlijkse subsidie van een leien dakje ging. Op 22 februari 1956 kreeg de HC te horen, dat ‘het verlenen van financiële steun aan clubs als de uwe naar onze mening niet op de weg der gemeente ligt.’

De Cheev, waarmee de geluidsinstallatie van en naar de huurder werd vervoerd.

De heer Ruurs was de Hobby Club echter goed gezind: hij verzocht de HC’ers op Koninginnedag hun geluidsinstallatie uit te lenen voor activiteiten op de ijsbaan aan de Noordendijk, in de kantine van de ijsbaan en op scheepswerf Van der Kloet aan Hellingen 113. Wellicht was het verzoek bedoeld als een proefballonnetje: de HCD rukte in alle vroegte uit met groot materieel, waaronder twee 60 watt versterkers, die werden vervoerd in een oude Chevrolet, en liet al om half acht ’s ochtends de Posthoorngalop tetteren over de Windhondpolder aan de Noordendijk. De geluidsverzorging liep perfect, ‘zonder bij-effecten of echo’s’. ’s Middags werd er in het centrum van de stad gedraaid op het Veemarktterrein, eveneens tot ieders volle tevredenheid. In december 1956 kwam er bericht van de gemeente dat de HCD op de lijst was geplaatst van subsidiabele verenigingen.

Het bestuur had de touwtjes stevig in handen. Met ingang van januari 1956 kreeg ieder aspirant-lid een proeftijd van een maand, waarover nog geen contributie verschuldigd was. Het was voor beide zijden een proeftijd: pas bij gebleken geschiktheid (dat wil zeggen: bewezen enthousiasme) werd het lidmaatschap aangeboden. Het overleg over de toelating tot het lidmaatschap was buitengewoon serieus, de overwegingen waren ampel te noemen. Men werd niet zómaar lid van de Hobby Club. De voorzitter op een bestuursvergadering: ‘Verder zou hij willen voorstellen alle leden beneden de 16 jaar, welke graag willen roken een briefje van thuis te laten meebrengen, waarop staat of ze wel dan niet mogen roken.’ Er werd veel verwacht van een Hobby Club lid. ‘[Peter de Waard] betoogde dat de Hobby Club zo goed moet worden dat het als een aanbeveling bij een sollicitatie zou kunnen gelden, lid te zijn geweest. Het is ook wenselijk de leden actief te maken bij de planning, enz.’ Wel moesten de oudere leden waakzaam blijven: ‘Naar aanleiding van de plannen voor de afdeling Radio, die de heer A. Kastelein toelichtte, ontstond er een discussie over het gebrek aan activiteit en de verruwing van de leden. Besloten werd, dat het bestuur en de leden van Groep X er zeer streng op zouden letten, dat ze een heel goed voorbeeld zouden geven.’

De Hobby Club werd volwassen. Gijs in een brief: ‘Op 25 februari hebben we ons 6-jarig bestaan herdacht met een gezellige avond, waarbij de temperatuur in het lokaal boven het vriespunt was. Een karakteristiek geluid van deze avond was wel een klok-klok, waarmee de bevroren inhoud van vele reageerbuisjes wegliep, als deze omgekeerd werden.’ Reageerbuisjes, jawel, want Radio mocht dan de grootste afdeling zijn, Adri Verheul mocht sein- en morsecursussen geven en Arend Kastelein een cursus radiotechniek, ook andere afdelingen moesten van de grond komen: Scheikunde, Modelbouw, Fotografie. De HCD was na het vertrek van Annie en haar zuster Jeanne Steinhauser geheel en al een jongensclub geworden, maar in december 1955 meldden zich weer twee nieuwe meisjesleden, die meteen een afdeling Artistieke Hobby’s oprichtten. Een van die leden, Aafje van Epenhuijsen, bedankte echter al in oktober 1956 omdat zij het te druk had met afstuderen aan de kunstacademie te Rotterdam. Het andere meisje bleef toen ook weg, en in november vroeg het kersverse bestuurslid Hans van der Schulp, of het wel in de bedoeling lag dat er weer meisjes op de HC zouden komen.

De tentoonstelling ‘De Mens en zijn Hobby’, die van 13 tot en met 22 juli 1956 werd gehouden in de Dordtse schouwburg Kunstmin, ter gelegenheid van de herdenking der Eerste Vrije Staten vergadering, was voor de HCD een uitgelezen gelegenheid haar kunnen te demonstreren. Jaap Dortwegt schreef uit Duitsland: ‘Lijkt je niet een aardig proefje een glas of iets derg. door resonantie door geluidsgolven veroorzaakt, kapot te laten springen? Ik weet niet of dat voor ons uitvoerbaar is, maar het lijkt mij wel aardig. Een bord met erop “Verwoestende geluidsgolven” b.v. en dan zo’n kapot springend glas... Met een toongenerator en een versterker, het lijkt mij te proberen.’ Radio, Modelbouw, Fotografie, Scheikunde en Artistieke Hobby’s waren op de tentoonstelling vertegenwoordigd. De heer Bas Verhey, amateur modelbouwer van miniatuur spoorwegbanen, had adviezen gegeven voor een demonstratiebaan. Er waren enkele grote borden opgesteld, die de jonge Dordtse tekenaar Wim Dolk had beschilderd met hobbiënde jongens en meisjes. Bovendien ‘hadden enkele leden al een week voor de tentoonstelling Kees van Dijk, de directeur van kalkfabriek Van Dijk & Co., geholpen bij de opbouw van zijn ingenieuze en goed uitgevoerde en afgewerkte modelspoorweg (compleet met “openluchtbioscoop” en vele andere attracties). De verkeerspolitie werd bijgestaan met een versterker en ook de V.E.R.O.N. [Vereniging voor Experimenteel Radio Onderzoek in Nederland] was dankbaar voor de geboden hulp.’ De tentoonstelling trok ongeveer 16.500 bezoekers, wat het een en ander zegt over de indertijd levende belangstelling voor het betrekkelijk nieuwe begrip vrijetijdsbesteding en voor hobby’s in het bijzonder. Behalve de HCD waren op de tentoonstelling ook present: de Dordtse Amateur Fotografen, de Dordtse afdeling van de Vereniging voor Bloemenkwekers en Bloemenverkopers, de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen en ‘De Gevleugelde Zangers’.

De afdeling Radio deed het best: op theoretisch vlak de cursussen, in praktisch opzicht: de reparaties aan een tv-toestel, aan radioapparaten, grammofoons en een bandrecorder (ook de bewoners van de Hellingen wisten de weg naar de HC te vinden) en voor de heer Van Dijk werd een Hifi versterker gemonteerd. De HC’ers begonnen met de vervaardiging van een nieuwe serie verbeterde meetinstrumenten voor de studio. In 1956 ontstond ook het plan rechtspersoonlijkheid aan te vragen voor de club om een verenigingszender te kunnen installeren. Drie leden waren al voor het zendexamen geslaagd: Adri Verheul (de bekende PAØTMC), Piet Megens en Peter de Waard. Het bestuur paste er wel voor om clandestien te zenden. PAØTMC in het logboek: ‘Tot besluit nog een bericht voor onze aetherjagers (of zijn het nu alpengeuzen): het is nog steeds verboden om stiekum clandestien zonder vergunning aetherpiraat te zijn.’

Een radiografisch bestuurde boot van Jaap Dortwegt werd getest in het Weizigtpark aan de rand van de stad, en bereikte een snelheid van 4 à 5 km. per uur. Maar niet alles stond in het teken van Radio, want op 13 oktober 1956 werd er voor het eerst in de HC-doka een film ontwikkeld, door Hans Diemel, die hierbij werd geassisteerd door zijn grootvader Paul Diemel sr. Wel bleef Radio voor het grootste gedeelte het gezicht van de club bepalen, en zelfs het gezicht van de Hobby Puk. In mei 1956 verscheen het cluborgaan weer, in een frisgeel omslag, getekend door Wim Dolk, met een olijk kijkend radiomannetje, zittend voor een radioapparaat en met een koptelefoon op. Als je goed kijkt, zie je dat hij hurkt in een kinderwagen; het was dan ook een ‘hobby-puk’. De redactie was in handen van Gijs van Aardenne en Arend Kastelein en dat zou een hele tijd zo blijven. De Puks waren keurig verzorgd, en bevatten naast de verslagen ook ‘studierubrieken’ (bij voorbeeld over elektronenbuizen) en een ‘Puks Peins pagina’, samengesteld door Arend Kastelein. In de Hobby Puk van mei 1956 staat het eerste Hobby Club huwelijk vermeld: dat van Anthon Adriaanse en Annie Steinhauser, beiden dragers van een zilveren H’tje voor bewezen diensten.

Hoe stond inmiddels het overige Hobby Club werk ervoor? In het archief vinden we een brief van de Technische Verkenners Club Antwerpen, over een bezoek aan Leonard de Vries, waarin enkele culturele verschillen tussen Nederland en België anno 1956 naar voren komen:

De zondagmorgen, – Sinksendag – werd er tijdig opgestaan om het af te trappen vooraleer iemand zou komen storen om wille van dat ‘verboden weg’ [de Antwerpse hobbyisten waren een verboden weg ingereden om in een weiland ernaast een stille rustplaats voor de nacht te vinden] – Om 9 uur vertrokken we – terug naar Amsterdam – we hadden nog eten van thuis bij, en koffie werd op een der vuurtjes klaargemaakt. In Amsterdam volgden we vooreerst de Mis in een stemmige kerk, en dan trokken we naar de Sallandstraat. De meeste Amsterdammers nu schijnen deze straat niet eens te kennen, het vroeg dan ook heel wat tijd vooraleer we ter plaatse waren. –
Als een hond in een kegelspel vielen we bij de heer Devries binnen, niettemin werden we ook hier zeer gastvrij onthaald, waarvoor eveneens nogmaals onze beste dank. Er werd gepraat, langs weerszijden pro en contra bekeken. De H. Devries verontschuldigde zich voor zijn al te optimistische boeken, de werkelijkheid is geheel anders. Maar indien de werkelijkheid in deze boeken beschreven was, hoe zou dan de uitwerking geweest zijn – nog veel minder? – ongetwijfeld. Er werd gepraat over de verschillende Hobby Clubs in Nederland, en de moeilijkheden die ze allen kenden; over het vroegere clubblad ‘Hobby Club’ en het nieuwe blad ‘Ahoy’ dat een algemene ontgoocheling schijnt teweeg te brengen. Er werd ook even gepraat over Scouting, en zijn methode volgens Baden Powell als opvoedkundig middel. De Heer Devries verklaarde zich verder vurig voorstander van het samenwerken onder elkaar van meisjes en jongens evenals van een grotere vrijheid waardoor de leden zelf tot een organisatie en zelf discipline komen. – Wij hier in België kunnen onmogelijk in zulk een opvatting jongens en meisjes samenbrengen; er zou een zeer sterke oppositie vanwege de ouders ontstaan waartegen geen macht bestand is, de kwatongen uit de omgeving zouden overal aan het roddelen gaan, en wee U als ge die tegen hebt, het ergste bezwaar echter is dat jongens en meisjes, van rond de 15 jaar hier, voor 90% omzeggens, totaal vreemd aan elkaar leven – hen nu in een milieu als dit samenbrengen zou voor beiden een onnatuurlijke sfeer geven met het gevolg dat alles ‘anders’ zou worden, en het natuurlijke volledige uitleven van hun hobby er sterk zou onder lijden. –

Kwamen er aan de Technische Verkenners Club Antwerpen helemaal geen meisjes te pas, in de Nederlandse Hobby Clubs was de vrouwelijke kunne maar matig vertegenwoordigd. Illustratief is een verslag van Ben van Splunter in de Hobby Foon van maart 1957, het cluborgaan van HC Zaandam. Van Splunter beschrijft hoe de Zaanstreek was opgeschrikt door een artikel in een der plaatselijke bladen: ‘Ontstellende ontdekking van surveillerend agent’. De dienaar der wet had in het clublokaal van een duivenhoudersvereniging een aantal jongens en meisjes ‘in verregaande staat van ontkleding’ op een hoop op de vloer zien liggen. Het bleek om een groep te gaan uit het verderfelijke Amsterdam, die zich ‘de Modernisten’ noemde. Aan het geval waren drie artikelen gewijd en één ingezonden brief. Volgens Ben van Splunter was er te veel ophef van gemaakt en zou het beeld dat op grond van zo’n geïsoleerd incident kon ontstaan nadelig kunnen werken voor de Hobby Club: ‘Over het algemeen staat men toch al sceptisch tegenover een club, welke geheel door jongelui zelf wordt bestuurd. Men ziet nu eenmaal graag een volwassene aan het “hoofd”. (Alsof dat garantie is voor goede orde en goed gedrag)!’

Uit Van Splunters beschouwing blijkt dat de HC Zaandam op dat ogenblik nog geen meisjesleden heeft, maar voor de toekomst is dat wel de bedoeling. Hij voelt zich verplicht aan het Zaandamse gemeentebestuur, dat de H.C. Zaandam aan een clublokaal heeft geholpen, en doet een beroep op het gevoel van medeverantwoordelijkheid van de leden: ‘Het is daarom van belang, op te letten welke nieuwe leden er zo al worden aangenomen. De leden die de club nu heeft, zijn allen dit vertrouwen wel waard, maar men weet nooit wat er bijkomt.’

Wat de Hobby Club Dordrecht betreft, was het jaar 1957 iets minder glorieus dan het topjaar 1956. Er was sprake van deelname aan de eerste Doe het zelf-tentoonstelling, die in de Energiehal te Rotterdam zou plaatsvinden, maar uit het gedetailleerde jaarverslag over 1957 blijkt niet dat de HCD ook werkelijk heeft meegedaan. Er was vrij veel werk aan de elektrische installatie in de hobbyzolder, die in februari door het Gemeentelijk Electriciteits Bedrijf (GEB) aan een strenge keuring werd onderworpen. De functionaris van het GEB wenste, dat ‘het licht en de stopcontacten in twee groepen gescheiden zouden worden om bij eventuele kortsluiting totale duisternis in het lokaal te voorkomen.’ De HC’ers togen meteen aan het werk om aan de eisen tegemoet te komen en zorgden zelfs voor een apart zwaar stopcontact waaruit de studio’s en de doka gevoed werden. Verder werd er een muurschildering gemaakt van een mannetje met een reageerbuisje in zijn hand (een muurschildering die alle jaren op de Hellingen de muur bleef sieren, ietwat verbleekt, maar daardoor juist van een transparante schoonheid). Het lokaal werd geschilderd, een hulpmagazijn en een kolenhok gebouwd. Voor een jongeman van de Dordtse Luchtvaart Club werd een zend- en ontvanginrichting voor modelbesturing gemaakt. Er werden zelfs twee mijndetectors ter reparatie aangeboden, waarover de afdeling Radio zich ontfermde. Voor Fotografie knutselde Wim de Leeuw van Weenen een elektronische tijdschakelaar in elkaar. Hans Sanders maakte een vloerverwarmingsapparaat gereed.

Wel waren er enige gebeurtenissen die te denken gaven. In juli werd contact opgenomen met de ouders van een lid, omdat er diefstal had plaatsgevonden en ‘men vermoedde dat hun zoon ook bij deze handelingen betrokken is vanwege zijn bijzondere gedragingen en omgang met enkele verdachte personen.’ Op advies van de vader van Jaap Dortwegt wordt besloten, dat de leden eerst een vol jaar aspirant-lid zijn, zonder rechten, maar met plichten, voordat over hun toetreding wordt beslist. Het voorlopige lidmaatschap van een maand is hiermee van de baan. De HC-geest moet bewaard blijven. Uit de notulen: ‘Volgens de heer Kastelein die hierna het woord kreeg moeten verschillende leden “gedresseerd” worden om hun ruwe taalgebruik wat af te leren eventueel met verwijdering van enkele leden. [...] De heer de Waard wilde midden in het lokaal een afscheiding aanbrengen hetwelk volgens hem grote groepen pratende lieden zou voorkomen. [...] Piet Prins wilde men nog aanzien want hoewel waarschijnlijk niet erg te vertrouwen is hij zeer gewillig en werkzaam. Ook Harry Veldman wilde men nog aanhouden doch hij praat volgens het bestuur te veel en is brutaal.’ Het bestuur voelde dat het sterk stond. In juni 1957 telde de club 45 leden. In december waren er 35 over, maar we mogen aannemen dat men hiermee kwaliteit in huis had.

Het wordt zo langzamerhand traditie: dat de Hobby Club op Koninginnedag in opdracht van de Gemeente voor de versterkers zorgt. In 1957 geeft het gemeentebestuur fl 132,- subsidie, waarvan fl 93,- vrij besteed mag worden, terwijl de resterende fl 39,- bestemd is voor kadervorming. De HCD heeft zich een plaats verworven in de Dordtse gemeenschap. Er worden voor de leden veel activiteiten op touw gezet: een Paastoernooi, een excursie naar de nieuwe GEB-centrale aan de Merwedehaven, en een nieuwigheid, die zich een vaste plaats binnen de HCD-traditie zou verwerven: een zogenaamde radiovossenjacht! PAØTMC, alias Adri Verheul, speelt voor vos. De leden met hun zelfgebouwde peilontvangertjes gaan op jacht: ‘Om halfacht ging de zender aan en luisterden de jagers naar de eerste berichten van de vos, waarna ze zijn positie bepaalden. De vos vertelde o.a. dat de jagers eerst een papiertje, welke in de buurt van het hol op een spijker gestoken was, moesten vinden en dat bij het aftrekken van dit papier wel een hoofd tevoorschijn zou komen die nadere bijzonderheden zou vertellen over het vossenhol. Na de eerste peiling gingen de 3 groepen uit elkaar, klommen over hekken, lieten kapotte fietsen achter, sprongen over sloten, weerstonden nieuwsgierige blikken en bevonden zich allen na ongeveer een uur zoeken in en om de Boeroestraat. Na nog ongeveer een uur zoeken vond de eerste groep de vos. Het vossehol bleek de sjek van de vos te zijn: het perceel Boeroestraat 74.’ Aldus Wim de Leeuw van Weenen, die in daar woonde, in de Vogelbuurt van Dordrecht. De vossenjacht leidde bij Radio tot groot enthousiasme voor het bouwen van peilontvangers, maar ook werden er enige versterkers en oscillatoren vervaardigd. Gijs van Aardenne, die zich had teruggetrokken uit het bestuur, werkte aan de bouw van diverse magazijnen. Samen met Radio-instructeur Arend Kastelein bracht hij ook twee Hobby Puks uit. Aan het einde van het jaar werden de lichtleidingen in de studio’s vervangen, maar in de grote centrale ruimte werd weinig uitgevoerd: ‘Deels was dit te wijten aan de te grote kou om te kunnen monteren, deels omdat men liever naar de verhalen van anderen luisterde of zelf een verhaal opdiste.’ De traditie van het sterke verhalen vertellen was nog niet een zachte dood gestorven.

In 1957 gingen er vier leden van de HCD (Jaap Dortwegt, Gijs van Aardenne, Harry Veldman en Bertus Haasakker) naar het Paascongres van de NBHC, dat in Rotterdam werd gehouden. De Nederlandse Bond van Hobby Clubs draaide intussen grotendeels op de inspanningen van één figuur: J.F. (Jan) van Zonneveld uit Den Haag. Er was niet veel sympathie verloren tussen Jan van Zonneveld en Gijs van Aardenne, die de vergadering altijd met kritische vragen bestookte. De NBHC wilde dat het hoofdbestuur regelmatig op de hoogte werd gehouden van het doen en laten van de afdelingen. Gijs stelde: eens per jaar is toch ook ‘regelmatig’? De Bondsadministratie kreeg naar haar zin niet snel genoeg opgave van de namen van nieuwe HCD-leden. In de Hobby Puk werd kritiek uitgeoefend op de geringe verschijningsfrequentie van het Bondsblad, dat Jan van Zonneveld in zijn eentje samenstelde. Hij kon dit op zijn kantoor gratis stencilen, maar was daarbij wel aangewezen op verloren uurtjes tijdens werkdagen. De verdwijning van het blad Hobby Club en de teleurstellende inbreng van Ahoi, waar slechts één keer een lijst van Hobby Clubs was opgenomen, had het HC-‘werk’ toch een geduchte knauw gegeven. Vanaf die tijd is de zaak gaan ‘afkalven’. Van Zonneveld, die was geïnteresseerd in zeefdruk, lanceerde nog het plan om als Bond met steun van de clubs een blad uit te geven waarvan de afname door alle HC-leden gegarandeerd zou zijn, maar ook dit plan bloedde volkomen dood. Menige Hobby Club kampte trouwens met het probleem van de clubruimte, en als er al een clubruimte was gevonden, ging er zoveel energie zitten in de inrichting, dat de betreffende Hobby Club een soort ‘ruimte-inrichtingsvereniging’ werd.

De HCD had het geluk dat ze die fase in 1957 al ruimschoots achter zich had gelaten. Hoewel het contact met andere Hobby Clubs wel werd onderhouden, voelde de HCD bij monde van haar spreekbuis Gijs van Aardenne weinig binding met de Bond. In 1958 was er sprake van, dat de Hobby Club Dordrecht het Paascongres zou organiseren. Terwijl de club al enig voorbereidend werk had gedaan, stak Jan van Zonneveld, net terug van een langdurig verblijf in Zweden, er een stokje voor. Hij liet Henk Demoet van de slechts zeven leden tellende Hobby Club Alphen aan de Rijn een ‘radicaal gestelde brief’ schrijven. Met name de ‘wanbetaling’ van de Bondscontributie door de HCD zat de heren hoog. Het congres ging niet door. In plaats daarvan werd er in Alphen aan de Rijn een vergadering belegd, die van de zijde van de HCD werd bijgewoond door Arend Kastelein, Wim de Leeuw van Weenen en Gijs van Aardenne. Wim schrijft in de Hobby Puk: ‘Het was koud en de leiding van deze vergadering heeft ons de laatste hoop en het vertrouwen in het werk, en dus ook het nut, van de Ned. Bond van Hobby Clubs ontnomen.’ De HCD stelde dat zij ‘zich niet kon verenigen met de nieuwe Statuten en het Huishoudelijk Reglement van de Bond, daar deze op verscheidene punten strijdig waren met de meningsvorming en enkele principiële eisen van Hobby Club Dordrecht.’ De HCD trok daaruit haar consequentie en beschouwde zich niet langer lid van de NBHC. Wel werden er hartelijke betrekkingen aangeknoopt met de pas opgerichte HC Almelo, een laatkomer op het HC-toneel.

De tijd vliegt; we schrijven 1958. ‘Wat denkt U van onze eerste proeve van bekwaamheid op het gebied van “kleurendruk”?’ Dit zijn woorden uit de Hobby Puk van januari/februari 1958. De tekeningen van Wim Dolk, overgebracht op elektronisch stencil, zijn in groen afgedrukt. In 1957 waren maar twee nummers verschenen, dit jaar komen er drie uit. En ze worden steeds dikker en beter. Er staan studierubrieken in: een over elektronica van Arend Kastelein en een nieuwe, ‘Luisteren naar muziek’, van Ru Sevenhuijsen, er staan berichten in van andere Hobby Clubs en afkortingen en codes voor zendamateurs. Maar laten we vooral niet ‘De kracht van het kleine’ vergeten. De schrijver heet Jaap Dortwegt. In januari 1958 draagt hij zijn voorzittersfunctie over aan Arend Kastelein; als dank voor zijn vele verdiensten ontvangt hij een zilveren H’tje. Vanuit Zwitserland, waar hij werkt, blijft hij actief voor de HCD door te schrijven voor de Hobby Puk. Hij volgt de ontwikkelingen in de wetenschap met grote belangstelling en zijn soepele pen leent zich voor een populair-wetenschappelijk exposé. De kracht van het kleine:

Nu er in alle kranten en tijdschriften artikelen zijn verschenen die handelen over atoomenergie, kernsplijting, kernfusie, thermonucleaire reacties, enz. moet er in de Hobby Puk ook maar eens een artikeltje verschijnen over deze onderwerpen. Ik zal proberen dit artikeltje zo begrijpelijk mogelijk te maken, hoewel ik er van overtuigd ben dat dit mij lang niet overal zal lukken, en als er onder jullie zijn, die vragen willen stellen over stukken die ze niet begrijpen, dan kunnen ze dit doen, ofschoon het niet zeker is, dat ze een antwoord zullen krijgen, want jullie kennen dat spreekwoord van die gek en die wijze en nu ben ik nog geen eens een wijze, dus jullie begrijpt....
Na deze korte inleiding zullen we maar direct beginnen, dus ga maar gemakkelijk zitten in een luie stoel en een schaaltje bonbons naast je en bekijk een van die bonbons maar eens voor dat je hem in je mond steekt, want hij is heus je aandacht wel waard. Zo’n bonbon is nl. een mengsel van een heleboel moleculen en al die moleculen zijn opgebouwd uit atomen. De meesten van jullie weten wel zo’n beetje wat een atoom is, maar ik zal voor de duidelijkheid hier toch wat meer over zeggen. Een molecuul is het kleinste deeltje van die stof, dat op zichzelf kan bestaan en alle eigenschappen van die stof bezit. Dat klinkt misschien een beetje moeilijk, maar als je een nieuw chocolaatje in je mond steekt en het nog een paar keer over leest, zal je het wel begrijpen. (Hobby Puk, oktober 1958, p. 26)

In deze Hobby Puk, die overigens zeer positief werd gerecenseerd in De Dordtenaar, vernemen we voor het eerst iets over een tot dusverre onbekend verschijnsel: het Hobby Club Vakantie Kamp (HCVK), dat van 15 tot 23 augustus 1958 werd gehouden op camping ‘De Klinkaert’ in het Brabantse Drunen. ‘En daar gingen we, onder de brandende zon, door het mulle zand. En een tempo dat Arend aanhield! Als ik er aan denk, moet ik nog zuchten. Arend deed net of hij een doel voor ogen had, hetgeen hij door volmaakte onbekendheid met het terrein volstrekt niet had. Evenwel viel het mij op, dat we steevast in de richting van een kerktoren liepen.’ (Hobby Puk, oktober 1958, p. 13-14). Fietsen, gitaarspelen, spelemeien in het water, jagen op de elektronische vos, sporten, gezamenlijke maaltijden en het telkens terugkerende corvee: dat zijn de activiteiten op een HCVK. En natuurlijk klinkt iedere morgen uit de zendtent de Posthoorngalop!

Bezoekers rondom de H.C.D.-stand met de 'ieed'-kiesschijf.

1958 kende weer zijn grote manifestatie: van 10 tot 14 november werd in Rotterdam in de Flevozaal van het Twaalf Provinciënhuis (Hoogstraat 121), de tweede landelijke Doe Het Zelf-tentoonstelling gehouden. De HCD gaf acte de préséance en trok, lang voor het tijdperk van de pincode, veel aandacht met zijn ieed: ‘Daar wij 50 nummers op een zoemer hadden aangesloten, had iedereen een kans van 1 op 200 om de zoemer in werking te stellen en daarmee een prijsje te winnen.’ Zo groot was het succes, dat er een wachtlijst ingesteld moest worden om de club niet te laten overstromen met nieuwe leden. Een berichtje in de krant: ‘Op de expositie is ook Philips vertegenwoordigd die vorig jaar eindelijk brood zag in de knutselwoede van radio-amateurs. Zij heeft nu eenvoudige radiobouwdozen voor de jeugd op de markt gebracht.’ Het gemak dient de mens. Nu bedrijfsleven en commercie zich op het hobbywezen stortten, was het met de pionierstijd wel bijna gedaan.

Financieel ging het goed met de Hobby Club. Uit een brief van Gijs: ‘Om je een idee te geven, wij hebben dit jaar al ongeveer fl2500, –  ontvangen en weer uitgegeven, tegenover in het gehele vorige jaar fl1500, –. Dit zal wel niet ieder jaar zo veel zijn, maar geeft toch wel een goede indruk van de grote activiteit die er dit jaar ontplooid is en wordt.’ Die activiteit bestond onder andere uit het herzien van de elektrische aanleg, het uitvoeren van het ‘Plan Bar/Magazijn’, waardoor het lokaal zijn symmetrie herwon, het vervaardigen van een nieuwe lichtbak (door de nieuwe leden Rien Busink, Rob Apon en Wim Punt), het repareren van mijndetectorapparaten en natuurlijk ook het bouwen van geluidsinstallaties. In opdracht van de Gemeente worden er twee versterkers gemaakt met voor elke versterker twee kasten, voor de kantine van centrum De Klinkaert wordt voor fl450,- een complete geluidsinstallatie gebouwd. Ook aan de vader van een der leden is er een afgeleverd: ‘Deze 15 watt combinatie van alleen maar kwaliteitsonderdelen, is de beste welke wij ooit gehoord hebben, alle Stereodemonstraties op de Firato o.a. ten spijt. De muziek van de enkele, wèrkelijk buitengewoon goede platen welke in de handel zijn, klinkt ontroerend mooi zuiver en gaaf. Ieder instrument, iedere noot, klinkt duidelijk en los van elkaar, toch één geheel vormend. Dit is “muziek die leeft”.’ Firato was een bekende tentoonstelling in deze jaren waarin de elektronische ontwikkeling een hoge vlucht nam. De HCD liet zich niet onbetuigd: voor het instituut Krabbestein wordt een geluidsinstallatie ontworpen, die de vorige nog heet te overtreffen. (Hobby Puk, januari 1959, p. 5).

De continuïteit was een waarborg voor de bloei van de HCD. Toch zou het oude bestuur volgens de ideologische opzet van de jongerenclub plaats moeten maken voor een nieuwe generatie HC’ers. Op een bestuursvergadering werden de problemen besproken:
‘De eerste en voornaamste was wel, dat het oude bestuur te oud werd om als bestuur gehandhaafd te kunnen blijven. Dit betekende dus volgens de voorzitter dat er een nieuw, jong bestuur zou moeten komen en wel zo spoedig mogelijk. [....].’ Op voorstel van Gijs werd besloten ‘het oude bestuur te handhaven tot januari 1959, maar nu reeds de volgens het bestuur in aanmerking komende leden voor een bestuursfunctie, in het bestuur op te nemen.’ Vanaf eind september woonden de kandidaat-bestuursleden, Urs Brunner, Ries Fok, Cor Hello en Leen Moret, de vergaderingen bij.

In oktober ruilde de Hobby Club haar oude stencilmachine in voor een nieuwe, die de mogelijkheid bood tot kleurendruk. Weliswaar moest er fl400,- worden bijbetaald, maar Gijs meende dat die via de advertentie-inkomsten gemakkelijk terugverdiend zouden worden. De twee redacteuren Arend en Gijs gingen er soms in Gijs z’n kever Volkswagen op uit om nieuwe adverteerders te werven. Met een beroep op het goede doel was de Dordtse middenstand in deze jaren vrij snel te bewegen advertenties te plaatsen in de Hobby Puk. De HCD draaide ook stencils af voor HC Almelo. Aan het einde van de jaren vijftig schenen alleen de Hobby Clubs te Almelo, Dordrecht en Zaandam nog te floreren, terwijl de Bond nog maar een schaduw was van zijn vroegere zelf. Gijs meende: ‘[De Bond staat] niet in of naast de Hobby Clubs, maar er buiten, bijna volkomen er buiten, daar zelfstandig een macht op willende houden, die er in het geheel niet is. De Bond is voos, en ik heb mij nog nooit zo fel geuit, maar wat is het anders dan schijn?’

We zijn in 1959 aangeland, het jaar waarin een splinternieuw bestuur aantreedt. Arend Kastelein heeft de voorzittershamer overgedragen aan Ries Fok, Hans Diemel emigreert naar Canada en wordt opgevolgd door Leen Moret, alleen Wim de Leeuw van Weenen blijft in het bestuur, maar niet meer als secretaris. Dat baantje valt nu Urs Brunner toe, terwijl Cor Hello het vijfmanschap completeert als materiaal-commissaris, de functie die Gijs van Aardenne in 1958 had bekleed. Arend en Gijs blijven wel aan als redacteuren van de Hobby Puk en als instructeurs van respectievelijk Radio en Houtbewerking/Modelbouw.

Gijs en Arend: ze vormden een weergaloos tandem, Gijs met zijn gespannen ernst, zijn gewoonte om te ijsberen als iets hem intens bezighield, zijn bijna stotterende verwoording van zijn ideeën als hij sprak tegenover zijn grote verbale souplesse in geschrifte, en Arend, immer uiterst correct in kleding en gedrag, zorgvuldig en tamelijk intellectueel formulerend, die in zijn radiocursussen een grote didactische bekwaamheid ten toon spreidde. Beiden bezaten een totale inzet, die een lichtend voorbeeld was voor anderen.

Het jaar 1959 begint op een optimistische noot: ‘De groei van de “Hobby Puk” geeft een goede weerspiegeling van onze Hobby Club,’ staat te lezen in de bijzonder mooie Hobby Puk van januari, gestoken in een nieuw jasje. Een blauwe omslag, getekend door Wim Dolk: zeven kereltjes, allen innig tevreden. Eén met een modelboot in zijn hand, één met een koptelefoon op, een ander met een kiekdoos voor de buik, een artistiekeling, die achteloos een uitpuilende tekenmap vasthoudt (een verftube ligt slordig op de grond), een persoon in witte jas met een heftig reagerend buisje, een raketmaniak met de handen voor de oren, twee propagandisten met een omroepauto en de Hobby Puk. Een heel legertje geestdriftige hobbyisten.

Het binnenwerk van de Hobby Puk is ook aanzienlijk verbeterd. De tekeningen worden in de kleuren groen en rood afgedrukt. Eén tekening vertoont zelfs een combinatie van die kleuren: een groene kerstboom met rode ballen (het betreffende foliovel was dus drie keer door de stencilmachine heen gegaan). Jaap Dortwegt begint zijn rubriek ‘De kracht van het kleine’ als volgt: ‘Zo langzamerhand wordt de Hobby Puk een wetenschappelijk tijdschrift met een cursus voor opleiding tot ruimtevaartdeskundige [de rubriek ‘Schot in de lucht’ van Arend Kastein] en een voor muziekluisteraar [Ru Sevenhuijsen], nog een andere voor opleiding tot vossejager [Adri Verheul] en dan deze, een bliksemopleiding tot atoomgeleerde. Wat zullen alle Hobbyanen veelzijdige specialisten worden...’ Aldus Jaap, die zelf op zijn atoomweg voortgaat: ‘Ik zie enigen van jullie bedachtzaam kijken. Ja, inderdaad, in de bonbon, die je daar in je mond steekt kunnen we ook radioactieve isotopen mengen en dan met een Geigerteller de weg van die bonbon in je lichaam nagaan. Interessant, nietwaar. Als je na een poosje die Geigerteller bij je pink houdt en je merkt dat je pink radioactief is geworden, betekent het dat je bloed dus een paar radioactieve isotopen uit de bonbon naar je pink heeft gebracht.’ (Hobby Puk, maart 1959, pp. 28/9).

Jaap Dortwegt. Op 13 juli 1959 verongelukte hij, drieëntwintig jaar oud, op terugreis naar zijn werk in Zwitserland. Een sobere Hobby Puk bracht een laatste hulde: ‘Jaap was een bijzondere jongen. Zijn grote oprechtheid werkte veelal ontwapenend en zijn bijzondere eerlijkheid, trouw en doorzettingsvermogen zullen ons steeds ten voorbeeld blijven. Aan zijn vriendschap zullen wij dankbare herinneringen blijven dragen.’

1959 bracht twee tentoonstellingen, waarvan er een op de HCD zelf werd gehouden: op 28 februari, 4 en 7 maart was er werk van de leden zelf en werkjes van leerlingen van lagere scholen te zien. Enkele krantenkoppen: ‘Voor leden van de Hobby Club vormt vrije tijd geen probleem’, ‘Het creatief vermogen van de jeugd’, ‘Hobbyclubs exposeren fraaie werkstukken’, ‘Hobbyclub weer voor het front’, ‘leuke tentoonstelling van de Hobbyclubs en scholieren’. Net voor de expositie was er juist een nieuwe 20 watt versterker voltooid.

In maart 1959 telt de HCD een kleine vijftig leden, waaronder vijf meisjes: een record in die zo door jongens gedomineerde jaren vijftig, en wederom komt de afdeling Artistieke Hobby’s in zicht. Intussen wordt er goed gewerkt aan de doka (ruim 2 bij 4 meter) om die een gelijke uitvoering te geven als die van de studio’s juist erboven. In de studio’s wordt uit één stuk linoleum gelegd, dat eerst zorgvuldig was uitgesneden met inbegrip van alle uitsparingen die correspondeerden met tafelpoten en andere obstakels. Dit waagstuk lukt wonderwel en op 11 juli is de inrichting van de beide studio’s voltooid. Voor het eerst wordt er gewag gemaakt van plannen om een Hobby Club Film op te nemen. Na haar geslaagde demonstraties op de tentoonstelling, trekt de afdeling Scheikunde ineens nieuwe leden aan en schijnt ontwaakt uit een jarenlange lethargie. Als altijd, is Radio zeer actief. Op 18 maart wordt er een zaalvossenjacht gehouden: ‘d.w.z. een jager wordt geblinddoekt ergens neergezet en deze moet dan over, door en langs zoveel mogelijk obstakels, die speciaal neergezet zijn, de vos zoeken.’ Op 11 april is Radio met zijn versterkers paraat bij de feestelijke opening van de speeltuinvereniging Oosterkwartier en op 30 april weer als vanouds in de Windhondpolder. Verder maakt de afdeling nog een tweede 30 watt kast voor drie luidsprekers, een kast voor een 8 watt Goodmans-speaker en een toongenerator in een gesloten kast, als eerste van een serie meetinstrumenten voor Studio I. Radio staat ook garant voor een stereofonische geluidsweergave op de muziekcursusavonden, die Ru Sevenhuijsen voor het Nut van het Algemeen houdt in het Hof, de historische plek waar in 1572 met de Eerste Vrije Statenvergadering de Republiek der Verenigde Nederlanden werd geboren. Op die avonden wordt een demonstratieplaat van Philips gebruikt met speciale geluidseffecten, zoals ‘Russische roulette’, waarbij het geluid langzaam verglijdt van de ene box naar de andere. 

De aandacht voor de propaganda van de Hobby Club in de pers bestond o.m. uit deze (in scene gezette) foto.

Het lukt de HCD om ook landelijk voor het voetlicht te komen: A. Huguenot van der Linden, journalist van De Telegraaf, die de rubriek ‘Onze wonderlijke wereld’ verzorgt, wijdt op 13 mei 1959 een aflevering aan het fenomeen Hobby Club, onder de titel: ‘Het Probleem van de Experimenterende Jongelui. “Hobby-Clubs” de oplossing?’ Bij het artikel prijkt een foto van zeven leden van de Hobby Club Dordrecht, poserend met attributen van hun hobby. Huguenot van der Linden gaat in op de huidige belangstelling voor ruimtevaart, die door velen als een ‘krankzinnige hersenschim’ wordt beschouwd. Maar was hetzelfde vroeger ook niet het geval met de spoorwegen en straalvliegtuigen? Jongeren die op dit moment geïnteresseerd zijn in raketten, hebben als enige uitweg de modelbouw, ‘en die conclusie leidt automatisch tot een herleefde belangstelling voor modelbouw- en hobbyclubs.’ Deze inleiding dient om tot de Hobby Club Dordrecht te komen, waar een grote verscheidenheid aan hobby’s wordt beoefend. Huguenot van der Linden vindt het bezoek aan zo’n Hobby Club ‘een verademing’:

Het was op een zaterdagmiddag en de zolder gonsde van jeugdige activiteit en enthousiasme. De afdeling scheikunde nam er (veilige) proeven met een heel arsenaal van kolven, retorten, reageerbuizen, jampotten en flessen met alle mogelijke chemicaliën. De afdeling radio experimenteerde er in een zelfgebouwde meetstudio met een uitgebreide en ingewikkelde elektronische meetapparatuur en verzorgde in een kleine omroepstudio een grammofoonplatenprogramma met zelfgebouwde hi-fi versterkers en luidsprekercombinaties. De afdeling fotografie bouwde er een gloednieuwe donkere kamer, de afdeling modelbouw knutselde met hout en besprak de plannen voor een magazijn met kaartsysteem, bibliotheek en ‘bar’ (gebakken eieren, koffie en alcoholvrije dranken). De meisjes (15 jaar) van de artistieke afdeling hadden al een paar wandschilderingen voltooid, maar dat werk wegens de ‘verbouwing’ tijdelijk moeten staken.

De Telegraaf-journalist vindt ‘dit hele gedoe van een hartveroverende frisheid en charme.’ Ook stelt hij de interessante sociologische vraag waarom zo’n Hobby Club wel floreert in kleinere steden als Dordrecht, Zaandam en Almelo, maar in de grote steden van ons land nauwelijks vat heeft op de jongeren. Hij filosofeert: ‘Misschien kent men elkaar in die kleine steden beter; de afstanden zijn er minder groot, er is meer onderling contact en de mogelijkheden om er voor een krats of voor niets (zoals in ’t Dordtse geval) aan een geschikte ruimte te komen, zijn er beter. Er zijn ook diverse plaatselijke industrieën die aardigheid in het werk van de Hobby Club hebben en die de jongens tegen gereduceerde prijs of gratis van alle mogelijke materialen voorzien.’ Verder looft hij de hang naar perfectie, die bij voorbeeld in het gestencilde clubblad Hobby Puk tot uiting komt: ’36 pagina’s in vloeiend en foutloos Nederlands, zonder ook maar een enkele druk- of tikfout, vlot opgemaakt en goed geïllustreerd met cartoons en diagrammen.’ Huguenot van der Linden besluit zijn artikel met de opwekkende woorden: ‘Wie weet hoeveel latere ingenieurs, chemici en fysici er uit de Hobby Clubs zullen voortkomen. En wie de jeugd heeft, heeft de toekomst.’  

Ook in de herfst liet de HCD zich van haar beste kant zien: van 6 tot 11 oktober 1959 participeerde zij in de tentoonstelling ‘Uw Vrije Tijd’, die in de Ahoy-hallen in Rotterdam werd gehouden. De Hobby Club was er pas in een laat stadium voor gevraagd, maar kreeg alles net op tijd voor elkaar. Er waren dertien leden bij betrokken, waaronder vele van een nieuwere lichting, zoals Joke van de Brink, Henk Hilbink, Frits Jongeneel, Eldert Nelisse, Joop Schriever, Ans Stolk en Paul van de Weg. De Stichting ‘Doe het zelf ter bevordering van de zelfwerkzaamheid’ kende de HCD een subsidie toe voor haar deelname, en de Koninklijke Nederlandse Jaarbeurs stelde grote platen hardboard ter beschikking, waarop Wim Dolk in enkele lange avonden een schitterende wandschildering maakte met zijn bekende HC-mannetjes en -vrouwtjes. Dankzij de medewerking van de Dordtse Luchtvaart Club en van Bas Verhey kwam ook de afdeling Modelbouw goed voor de dag. De krant schreef: ‘Met hoofd en schouders steken echter twee stands boven de andere uit’. Een ervan is die ‘van een hobby-club uit Dordrecht, waar men gedurende de expositie de leden aan het werk kan zien in alle takken van de schone kunst en van de techniek.’

Een moment van rust bij een van de legertenten in 'De Wildert', zomer 1959.

Ook was er weer een Hobby Club Vakantie Kamp (20-27 juli), dat voor de eerste maal in De Wildert werd gehouden: een nabij Hoeven in Noord-Brabant gelegen bosachtig terrein dat eigendom was van de gemeente Dordrecht. Arend filmde de vakantieactiviteiten, zoals het opzetten van de grote legertenten, de ravitaillering door vele vaardige handen, het ochtendtoilet aan de pomp, zwembadbezoek en een vossenjacht met zorgvuldige peilingen in het nog zeer verlaten ogende Brabantse landschap. Het was kort na het overlijden van Jaap Dortwegt. De Hobby Puk meldt: ‘Nog nooit is een kamp zozeer in Hobby Club sfeer gehouden. Dankzij de enorme medewerking en gastvrijheid van de familie Van Hees [de beheerders van De Wildert] èn het goede weer, is deze week in alle opzichten geslaagd. Als dank heeft de Hobby Club het Dordtse vakantiecentrum voor de rest van de zomer een geluidsinstallatie gelaten om het omroepen voor de leiding van de Vakantie Kinderkampen te vergemakkelijken.’

Maar ineens spreekt het logboek vreemde taal: Arend klaagt over het on-Hobby Club-achtige gedrag van een van de leden en de lauwe reactie van het bestuur. Leden van Scheikunde moet er op gewezen worden een kuiser woordkeuze te bezigen, bestuursleden hebben het over meisjes wier houding niet getuigt van Hobby Club geest. In december 1958 was er in Dordrecht-Zuid (Krispijn) een concurrerende HC opgericht, ‘Hobby Club “de Amateur”’, die in april 1959 een aardig propagandanummer had samengesteld en een presentatie had verzorgd in het historische Hofcomplex. Maar onder de archivalia van de HCD treffen we een brief aan van mei 1959, waaruit blijkt, dat HC ‘de Amateur’ dan al tot het verleden behoort, en dat ‘wanordelijkheden’ daar debet aan zijn. Hing het in de lucht?

Gijs van Aardenne correspondeert met Ben van Splunter van HC Zaandam, tevens bestuurslid van de NBHC, over de Bond, zijn fouten in heden en verleden. Er gaat een brief van negen kwartovelletjes naar Ben, er komt er een van negen velletjes terug, Gijs schrijft er ten slotte een van twaalf velletjes. Daarna vernemen we niets meer van de Bond, alleen enkele levenstekens van HC Almelo en HC Zaandam, de laatste in 1962 (er zit weinig leven in onze club). Ben schrijft – en buigt het moede hoofd: ‘Mijn konklusie is, dat er geen enthousiasme meer is en dit speciaal bij de nieuwelingen opvallend is. Wanneer ik vergelijk met het enthousiasme van ons, vijf jaar geleden, meen ik te kunnen zeggen, dat er iets met de algemene instelling aan het veranderen is. Wij hapten ten minste altijd en beantwoordden de brieven, wanneer men iets voor ons wilde doen.’ In het Dordtse logboek lazen we op 4 juli l959 reeds: ‘Onze secretaris was zo enthousiast (weer dat verschrikkelijke woord), dat [….]’.