EPILOOG

PRODUCTIE, ZELFEXPRESSIE, CONSUMPTIE: DE HOBBY CLUB ALS SPIEGEL VAN DE SAMENLEVING

De Hobby Club gedachte van Leonard de Vries kwam niet uit de lucht vallen. In augustus 1949 was bij de Bezige Bij het eerste nummer verschenen van het blad Hobby Club. Technisch en populair-wetenschappelijk maandblad voor jong en oud. Maar vier jaar eerder, in september 1945, had deze voortvarende uitgever al een ‘Tijdschrift voor de Nederlandse jongeren’ gelanceerd onder de titel Ruim baan, waarin onderwerpen aan de orde kwamen zoals luchtvaart, sport, tuinieren, fotograferen, films, techniek, mode en toneel. De redactie hiervan bestond uit Henriëtte van Eyk, Wim Hora Adema en A. Viruly. Bekende schrijvende Nederlanders zoals Simon Carmiggelt, Joop den Uyl, Hella S. Haasse, Simon (Gerard) van het Reve, Wim Kan, Simon Vestdijk en Leo Vroman leverden bijdragen aan dit blad waarmee de naoorlogse jeugd ‘bezield’ moest worden. Ruim baan hield het twee jaargangen vol. Een ander tijdschrift, Sprekende jeugd – onafhankelijk jongerenblad ter bevordering van internationale vriendschap, was al tijdens de oorlog ontstaan. In het bevrijdingsjaar werd in dit blad gediscussieerd over de noodzaak van ‘opbouw en herstel van oude waarden en zeden’.1

In historische terugblikken wordt de ideologie van de Wederopbouw dikwijls beschouwd vanuit dit perspectief van restauratie van vooroorlogse waarden. De Wederopbouwmoraal heet dan in het teken te staan van tucht en ascese en wordt geschetst als paternalistisch en gezagsgetrouw. Al in 1928 had Menno ter Braak zijn befaamde artikel geschreven onder de titel ‘Waarom ik “Amerika” afwijs’, waarin hij waarschuwde tegen Amerika’s ‘tendentie tot wanorde en oppervlakkigheid’. Na 1945 klonken er waarschuwingen tegen de materialistische ‘massacultuur’ van onze bevrijders, die leidde tot het ontstaan van de ‘massamens’ en tot zedenverwildering en vervlakking. Het was in deze bezorgde optiek natuurlijk vooral de jeugd die het gevaar liep te verworden tot ‘massajeugd’ of ‘asfaltjeugd’, dus er dienden krachtige initiatieven te worden genomen om dit gevaar te bezweren en de gemeenschapsgedachte te behouden. Zo kwam in 1945 de Nederlandse Jeugdgemeenschap tot stand, min of meer als een voortvloeisel uit de Nederlandse Volksbeweging, die tijdens de oorlog was opgericht door enkele door de bezetters in Sint-Michielsgestel gegijzelde intellectuelen. De bedoeling van deze beweging was om te komen tot één nationaal streven naar nieuwe verhoudingen, waarbij de christelijke antithese en de klassenstrijd werden doorbroken.2 Op het politieke toneel presenteerde zich in 1946 de Partij van de Arbeid als een doorbraakpartij, die ook plaats bood aan katholieken en protestanten. De betekenis van de verzuiling werd hiermee gerelativeerd.

De Nederlandse Jeugdgemeenschap streefde weliswaar naar samenwerking tussen de gezindten, maar het hoofddoel was de jeugd positieve idealen bij te brengen en af te houden van rondhangen, vandalisme, dansmanie, zedeloos gedrag, werkschuwheid, onverschilligheid en het gebruik van tabak en alcohol. Hiertoe werd een beroep gedaan op de bestaande jeugdorganisaties, die met hun zeden en cultuur de jeugd een anker konden bieden. Niet alleen christelijke jongelingsverenigingen sloten zich aan, maar ook de socialistische AJC. In 1950 waren 29 jeugd- en jongerenorganisaties in de Nederlandse Jeugdgemeenschap verenigd. André van der Louw, auteur van Rood als je hart, ’n geschiedenis van de AJC, geeft de volgende karakteristiek van de toenmalige eenheidsroes:

De AJC laat zich ook een beetje meedeinen op de lieflijke golfslag van de naoorlogse harmonie. Alle gezindten onder één deken. Samen opbouwen, een ander Nederland maken. Schouder aan schouder met politiek en levensbeschouwelijk anders georiënteerde jeugdorganisaties. Het is de tijd van massaspelen met duizenden jonge deelnemers met veel rood-wit-blauw en oranje en als het kan de koningin op bezoek.3

De historicus E.H. Kossmann schetst een beeld dat hierbij aansluit: ‘Half Nederland sprak met gelijke devotie over eenheid, eensgezindheid, tucht en gezag’.4 Het nieuwe was dan toch de ontzuilingstendens, althans de wil tot samenwerking met andersdenkenden. Maar volgens Jacques Janssen, auteur van een grondige studie over jeugdcultuur in Nederland, hield de harmonie niet stand: ‘De verzuiling was sterker dan de eenheidsroes, in de grote-mensen-samenleving èn in de jeugdbeweging. De vooroorlogse samenleving herstelde zich, onstuitbaar als een duikelaar.’5 De samenleving en het geestelijk klimaat van de jaren vijftig vertoonden ‘nog vele kenmerken van het ernstige en vrome interbellum’6 Het doorbraakstreven van 1945 was mislukt.

Het vigerende beeld van de jaren vijftig is tamelijk statisch: tucht en ascese overheersen en de verzuiling triomfeert. Terecht verzet Arjan Dieleman zich tegen dit standaardbeeld, dat zijns inziens alleen in stand blijft als we de blik gericht houden op de nationale politiek.7 Hij haalt een studie van Bleich en Van Weezel aan, volgens welke het ‘doorbraakstreven van 1945 al een aankondiging [is] van de veranderingen die in de jaren zestig zullen volgen. De wederopbouw ligt niet in het verlengde van de vooroorlogse jaren, maar vormt een onderbreking van dit streven.’8 Andere onderzoekers hechten veel belang aan de kritiek op de vooroorlogse hokjesgeest, maar omdat veel vooroorlogse partijen en organisaties in de oorlog verboden waren geweest, kregen de restaurateurs hun kans om de oude verhoudingen te herstellen. Verder schrijven zij het aan de noodzaak tot materiële wederopbouw toe, dat discussies over hervormingen of hergroeperingen in de jaren vijftig uitbleven en pas weer oplaaiden toen de ergste materiële problemen waren overwonnen.

De Hobby Club beweging is een vergeten hoofdstuk in de geschiedenis van de jeugdcultuur, maar juist aan dit voorbeeld kunnen we zien, dat het doorbraakstreven ook heeft geleid tot de oprichting van een nieuw soort jeugdorganisatie. Dat de bij de Nederlandse Jeugdgemeenschap aangesloten organisaties toch weer op zichzelf werden teruggeworpen – en geconfronteerd werden met ledenverlies en daaruit voortvloeiende opheffing – heeft ook te maken met het feit, dat zij ondanks de samenwerking hun eigen zuiltje bleven vormen. De Hobby Club van Leonard de Vries diende zich echter aan als een jeugdvereniging voor alle jongeren van 13 tot 23 jaar, ongeacht hun religieuze, sociale en educatieve achtergrond. De wil om gezamenlijk aan hobby’s te werken en daardoor te komen tot eensgezindheid en harmonie was het enige bindmiddel. Bovendien was de Hobby Club gedachte ontstaan uit afkeer van de ‘militaristische’ Padvinderij, met zijn hiërarchische structuur en gezagsverhoudingen. De Hobby Club zou een jeugdvereniging zijn zonder jeugdleiders, wars van de bevoogding door ouderen.

De aanvankelijk grote populariteit van de Hobby Club was mede te danken aan het economische beroep dat zij deed op haar leden: door je in clubverband aan je hobby’s te wijden, bereid je je voor op je toekomst, in een samenleving die grote behoefte heeft aan jonge werknemers in de industrie en op technisch terrein. De Hobby Club sloot tevens aan bij het vanaf 1949 ingezette industrialisatiebeleid van de overheid, en het is dan ook niet verwonderlijk, dat captains of industry welwillend stonden tegenover het zogenaamde ‘Hobby Club werk’ en er via de SBHC hun steun aan gaven. In de pionierstijd van de Hobby Clubs heerste er nog grote schaarste in Nederland. De consumptieve bestedingen lagen in 1950 ongeveer op het peil van de jaren dertig. Ook dit was een belangrijke impuls om lid te worden van een Hobby Club: door ‘botje bij botje’ te leggen, kon je sneller meer bereiken dan in je eentje. Op de Hobby Club bouwde je onder deskundige leiding ontvangers, eenvoudige radiootjes en versterkers die in de handel onbetaalbaar waren, zeker voor jongeren met een karig zakgeld. De Hobby Club wilde openstaan voor iedereen, dus de contributie werd bewust laag gehouden.

Ondanks de democratische aandrift van de beweging, was het onvermijdelijk dat er toch een soort van elitevorming ontstond. We zagen dit op landelijk niveau gebeuren in de Bond van Nederlandse Hobby Clubs, die door de dissidente Hobby Club Dordrecht als ondemocratisch werd ervaren en uiteindelijk werd verlaten. Maar eigenlijk was elke Hobby Club een elite op zich: binnen de clubtraditie werd voortdurend benadrukt, hoe bijzonder het Hobby Club ideaal was en dat het plicht was van elk lid om dit ideaal te verdedigen en verder uit te dragen. Enthousiasme was geboden! Papieren leden werden soms aangeschreven om hen te wijzen op hun verantwoordelijkheid: als zij zich op de Hobby Club niet thuis voelden, konden zij beter uitkijken naar vertier dat beter bij hen paste. Ook toen het Hobby Club ideaal niet meer helemaal aansloot bij de veranderende tijdsomstandigheden, werd het nog steeds met een beroep op de clubtraditie verdedigd, en leden die zich daarin niet konden schikken, hoorden in een Hobby Club niet thuis en konden dus maar het beste verdwijnen. De leden van een Hobby Club waren niet zomaar hobbyisten, neen, zij noemden zich vaak met trots ‘Hobbyanen’: deelnemers aan een zeer bijzondere, idealistische jeugdvereniging, zonder jeugdleiders. Binnen de Hobby Club Dordrecht werd er nog een speciale elite gevormd door de oprichting van ‘Groep X’. Deze mythische Groep X hield op Hobby Club Dordrecht stand, zolang zij nog in haar oude gebouw aan de Hellingen zat. Na de verhuizing in 1965 naar de zolder op het Oranje Vrijstaatplein heeft Groep X, een enkele flauwe poging tot herleving daargelaten, geen rol meer gespeeld en noemden leden van de HCD zich ook zelden nog ‘Hobbyanen’.

De Hobby Club Dordrecht van de jaren vijftig was nagenoeg volledig een jongensclub. Een aantal lang zittende bestuursleden zorgde voor de handhaving van het arbeidsethos, dat leidde tot een behoorlijke productiviteit. Een klein aantal oudere leden, van wie er enkelen tot bekende families hoorden, vormde de onwrikbare basis van de vereniging. Dankzij haar zelfgebouwde versterkers en haar bereidheid tot samenwerking met de gemeente tijdens sportfestiviteiten en vakantiekinderfeesten verwierf de HCD een goede reputatie bij de plaatselijke bestuurders, waarvan er velen lid waren van de in Dordrecht dominante Partij van de Arbeid. Overigens bevonden de meeste Hobby Clubs die langere tijd hebben standgehouden, zich in middelgrote steden, waar de contacten met de gemeente en de plaatselijke industrie laagdrempelig waren en de afstand naar het clubgebouw gemakkelijk met de fiets te overbruggen was. Binnen de clubtraditie werd ook telkens gehamerd op het belang van het kweken van ‘goodwill’: een term, die was ontleend aan de opwekkende stukjes van Leonard de Vries.

In 1954 schreef de geestelijke vader van de Hobby Club het boekje De jeugdgemeenschap-werkplaats Hobby Club. Een handleiding voor het oprichten van een Hobby Club, waarin hij nogmaals nadrukkelijk de weg wees: waar oudere jeugdleiders ontbreken, komt het allemaal aan op gemeenschapszin en zelfdiscipline. Hij raadt de Hobbyanen aan geen lijst van verboden aan te leggen, maar in plaats daarvan in mondeling overleg af te spreken wat wel en niet gedaan kan worden. ‘En als iemand iets doet dat verkeerd is, leg hem dan uit waarom zijn daad of handelwijze verkeerd is. Als de brandweer of de eigenaar eist dat er in de clubruimte geen vuur gebruikt wordt en dat men niet rookt, ga dan niet tot een “verboden vuur te gebruiken, verboden te roken” over. Leg de leden en vooral de nieuwe leden uit dat dit door de brandweer als uitdrukkelijke voorwaarde voor het gebruik van de clubruimte gesteld is en vraag hun te beloven geen vuur te gebruiken. Houd het bij deze ene belofte.’

Daarna vervolgt De Vries, geheel in overeenstemming met de tijdgeest: ‘Het zal nodig zijn een corveedienst in te stellen. De meisjes in de Hobby Club zijn de aangewezen personen om het schoonmaakcorvee in te delen en op het schoonmaken toezicht te houden.’ Op de HCD waren het in de jaren vijftig toch vooral jongens, die de orde en netheid moesten handhaven, maar later viel deze rol inderdaad aan de meisjes toe. Schoonmaakacties gingen vaak van hen uit; op een foto uit 1967 zien we Lineke Wolkenfelt met koeienletters op een bord schrijven: ‘Hier geen troep maken’. Maar ook de oudere jongens kenden veelal een groot gevoel van verantwoordelijkheid. Er was op de Hobby Club sprake van een mimicry van de volwassen wereld, die ook blijkt uit het soms wat plechtstatige taalgebruik. Veel leden van de HCD zijn later in hun leven goed terechtgekomen. Een aantal heeft een academische opleiding voltooid. Over het algemeen treft de grote variëteit in beroepskeuze van de HC-leden, van laborant tot tandarts, van technisch tekenaar tot docent, van timmerman tot computerdeskundige. In mijn ogen was de grote verscheidenheid in belangstelling en sociale achtergrond van de leden een van de aantrekkelijke aspecten van de Hobby Club.

In haar verzet tegen bepaalde als negatief ervaren uitingen van jongeren vertoonde de Hobby Club veel overeenkomst met andere, door ouderen geleide, jeugdverenigingen. De Hobby Club bood een alternatief voor bezoek aan bioscoop en dancings. Zomaar wat rondhangen op de club was taboe, vandalisme was uit den boze, om maar niet te spreken van zedeloos gedrag. Er werd wel op de Hobby Club gerookt, maar alcoholgebruik op de club was taboe, en aanvankelijk ook in de vakantiekampen. In de jaren zeventig werd het gebruik van alcohol in de kampen wel toegelaten, mits het binnen de perken bleef. De Hobby Club Dordrecht had sinds haar oprichting slechts een handjevol meisjesleden gehad, maar deze situatie veranderde in 1959, toen er van lieverlee steeds meer meisjes bij kwamen, die zich voornamelijk opgaven voor de afdeling Artistieke Hobby’s. De dominantie van de afdeling Radio en Elektronica werd aangevochten en in zekere zin zou zij zich nooit meer helemaal herstellen van het schisma dat in 1961 optrad. In het begin van de jaren zestig werden er naast de educatieve filmavonden ook ‘broodjes dansant’ georganiseerd, waarbij de jongeren die in de geluidsstudio de apparatuur bedienden als discojockeys optraden. Het herstel van de pure Hobby Club ideologie dat in 1962 werd ingezet betekende echter, dat het dansen weer taboe werd. Pas in 1966 werd dit taboe aangevochten, en met succes, want binnen de democratische structuur van de vereniging was er altijd ruimte voor overleg en compromis.

Al aan het einde van de jaren vijftig drong het besef door, dat men niet kon volstaan met alleen maar hobbiën en opbouw van de afdelingen, met een sterke nadruk op productief bezig zijn en vorming van de jeugd. Weliswaar was er altijd al ruimte geweest voor gezelligheid (sterke verhalen vertellen bij de bar, een kaartje leggen), maar allengs breidden de sociale activiteiten zich uit. In 1958 werd het eerste Hobby Club Vakantiekamp gehouden, en het was meteen een hit. Door gezamenlijk de natuur in te trekken, werd bovendien het saamhorigheidsgevoel versterkt, terwijl de befaamde radiovossenjachten toch een hobbyaspect aan de kampen verleenden. Het stedelijke karakter van de Hobby Club Dordrecht deed de behoefte ontstaan aan ontspanning in een landelijke omgeving. De geschiedenis van de HCD in de jaren zestig en zeventig is ondenkbaar zonder de sfeer van de tentenkampen die gewoonlijk werden gehouden op het terrein van Brabantse boeren of in De Wildert, dat kleine stukje Dordts bos in Brabant. Kamperen en trekken waren al sinds de jaren twintig en dertig elementen van de jeugdcultuur. De Hobby Club sloot daarbij aan en vertoonde in haar activiteiten ook opmerkelijke overeenkomst met andere verenigingen, zoals de AJC en de Padvinderij.9 Rond het traditionele kampvuur werd er gewoonlijk ‘folksinger’-achtige muziek geproduceerd, met sterk akkoordmatige gitaarbegeleiding, waarop goed kon worden meegezongen.10

Een andere parallel met verenigingen als de AJC en de Padvinderij was, dat er de hand werd gehouden aan de moraal, zij het meestal op vrij onnadrukkelijke wijze. Voor en na het eten werd er netjes om een ogenblikje stilte verzocht voor degenen die dat thuis ook gewend waren en verder letten de oudere leden erop, dat de jongens en meisjes niet bij elkaar in de tent kropen. Ger de Pee stond bekend om zijn – zoals één lid het later uitdrukte – ‘razzia’s om de hij-tjes en zij-tjes van elkaar te scheiden’. Met het vrijer worden van de seksuele moraal aan het einde van de jaren zestig nam echter ook de controle af en werd gedoogd dat de rijpere leden hierin hun eigen verantwoordelijkheid volgden. In elk geval is er op één van de kampen een kind verwekt en later op de Hobby Club zelf ook één (door een bestuurslid, dat ook ’s avonds toegang had tot de zolder), maar in beide gevallen is het tot huwelijken gekomen die niet alleen standhielden, maar ook uiterst geslaagd waren. Hadden liefdesaffaires medio jaren zestig nog aanleiding gegeven tot conflicten en zelfs één royement, later werd hier op een meer volwassen wijze mee omgegaan. In het begin van de jaren zeventig vond een ware hausse aan Hobby Club huwelijken plaats.

Op grond van in het archief bewaard gebleven gegevens en in het cluborgaan afgedrukte ledenlijsten heb ik een lijst gemaakt van personen die op enig moment tussen 1950 en 1974 lid waren van de Hobby Club Dordrecht. Ik kom daarbij uit op 522 personen, van wie er 90 van het vrouwelijk geslacht zijn. In werkelijkheid zullen er meer mensen lid zijn geweest, mogelijk boven de 600. We kunnen aannemen, dat over het gehele bestaan van de HCD de verhouding van meisjes tot jongens = 1: 5. Maar aangezien tot 1958 de meisjesleden op de vingers van één hand te tellen zijn, komen we voor de jaren zestig en zeventig dichter bij een verhouding van 1 : 4. Eén meisje op elke vier jongens: dat leidde af en toe tot broeierige toestanden, waarbij de hobbyactiviteiten in het gedrang kwamen. Geen wonder, dat de opeenvolgende besturen altijd maar prakkiseerden hoe ze de afdeling Artistieke Hobby’s konden vrijwaren van storende factoren. Op de afdeling Toneel, die vanaf 1968 tot bloei kwam, was de verhouding tussen jongens en meisjes ongeveer fiftyfifty. De omgang tussen de geslachten was er ongedwongen en leidde allerminst af van het einddoel: de opvoering van het ingestudeerde toneelstuk. Maar het feit, dat een ouder persoon, ‘meneer Van Munster’, de regisseur was, heeft in niet geringe mate bijgedragen tot het succes van deze afdeling.

Over het algemeen waren de leden van de Hobby Club autochtone Nederlanders. De vereniging werd opgeheven, voordat grote groepen Turken en Marokkanen van de tweede generatie de leeftijd van 13 jaar hadden bereikt. Wel telde de Hobby Club een aantal Indo-europese Nederlanders, die meestal ook grote prominentie bereikten binnen de vereniging (bij voorbeeld Ruud Meyer en Ron Borger). Paul van de Weg was een totok met een Indische achtergrond. In de jaren zeventig meldde zich één Antilliaan als lid.

Het is een opmerkelijk feit, dat de Hobby Clubs in het algemeen maar een korte levensduur kenden en dat er slechts weinige tot bloei kwamen. Vele beginnende Hobby Clubs werden genekt door het ontbreken van een goede clubruimte, maar ook waar die wel voorhanden was, bleek de basis van de club vaak uiterst fragiel, juist door het feit dat het ging om een jongerenclub met een jongerenbestuur. Niet alleen was het ledenbestand tamelijk vlottend, ook wisselde de bestuurssamenstelling vaak sneller dan goed is voor de stabiliteit van een club. Het is een algemeen West-Europees verschijnsel, dat het traditionele verenigingsleven na de oorlog over de hele linie verschraalde, niettegenstaande de toename aan vrije tijd tussen 1955 en 1965. Wel groeide in deze jaren de belangstelling voor sportclubs, die immers niet behept waren met pedagogische idealen. Jan Lenders schrijft: ‘de jeugd verkoos de neutrale verenigingsvorm boven het moralistische keurslijf van de jeugdorganisatie met hun uniformen en insignes, hun massale ideologische demonstraties, hun spreekkoorliederen en kampvuurromantiek’.11 Niets van dit alles (behalve een beetje kampvuurromantiek) bij de Hobby Club; Leonard de Vries’ suggestie, dat de leden van de afdelingen insignes zouden dragen in de kleur van hun afdeling, is bij mijn weten ook nooit gevolgd. Hoewel de geestelijke vader van de Hobby Club graag mocht vertellen dat de Hobbyanen braaf van alles nabootsten wat in zijn boeken stond, is dit niet in alle opzichten waar. Op basis van het Hobby Club ideaal ontstond een specifieke jeugdcultuur, wél behept met pedagogische idealen, maar die niettemin haar eigen weg zocht en tevens een grote dosis vrijheid opeiste.

De vrijere levensstijl leidde tot veranderingen binnen de Hobby Club Dordrecht, maar dankzij de grote betrokkenheid bij het lot van de club van oud-leden als Gijs van Aardenne en Arend Kastelein werden de HC-waarden toch overgedragen op een nieuwe generatie. Bovendien kreeg de Hobby Club in het nieuwe gebouw aan het Oranje Vrijstaatplein te maken met een explosieve groei van het ledental, toen rond 1967 de babyboomers van de jaren vijftig tot de club toetraden. Echter, slechts weinige van deze leden ontpopten zich als blijvers. De Hobby Club had nauwelijks een antwoord op de veranderde behoeften van de jeugd. De toegenomen welvaart leidde tot een steeds voortschrijdend individualiseringsproces en de omarming van een nieuwe consumptieve vrijetijdscultuur. De consumptief ingestelde babyboomers wisten even gemakkelijk de weg naar de Hobby Club te vinden als dat ze haar weer opgaven voor iets anders. In een samenleving die steeds meer rekening ging houden met de wensen van de jeugd en waarin de consumptieve besteding toenam, boden zich ook veel alternatieven aan tot ontspanning.

Op den duur was ook de technische ontwikkeling niet meer bij te houden. De Hobby Club verloor daardoor veel van haar oorspronkelijke aantrekkingskracht van de jaren vijftig, toen bijna iedereen radiolid was. De afdeling Radio was op het laatst eigenlijk niet meer dan een faciliteit. Wel was er veel meer ruimte gekomen voor zelfexpressie, waardoor afdelingen als Fotografie en Artistieke Hobby’s perioden van bloei beleefden, omdat zij aansloten bij de explosie van creativiteit die de jaren zestig kenmerkte. Door de gestegen welvaart konden jongeren zich echter ook thuis meer veroorloven en verdween de klemmende noodzaak om hobby’s in clubverband te beoefenen. Het werd eer regel dan uitzondering dat jongeren met een fotografiehobby thuis hun eigen doka inrichtten. Het samenwerkingsideaal van Leonard de Vries verloor zijn economische basis en brokkelde langzaam af. Alleen Toneel, de enige afdeling waarvoor samenwerking een noodzakelijke voorwaarde was, overleefde het roemloze einde van de Hobby Club Dordrecht.

In de jaren zeventig werd er door het bestuur met man en macht geprobeerd nieuwe inhoud te geven aan het overleefde Hobby Club ideaal. We zagen hoe de Hobby Club alleen iets bereikte als zij ergens naar toe werkte, als er een duidelijk doel voor ogen stond: het opbouwen en inrichten van de zolder, het organiseren van allerlei acties, het opvoeren van een toneelstuk. En niet in alle gevallen lukte het voor 100% het gestelde doel te bereiken; het bestuur en anderen moesten er flink aan trekken. We zagen ook dat het nieuwe gebouw geen onverdeeld succes werd (naast het risico van stilliggende afdelingen gedurende de bouw). De zolder was oncontroleerbaar en de HC-werkelijkheid was gecompliceerd geworden.

Historisch zaten we vast aan de leeftijdsgroep 13 tot 23 jaar, maar het beoefenen van hobby’s in clubverband sloeg steeds minder aan bij de categorie leden in de ‘moeilijke leeftijd’ van 15 tot 18. De roep om hervormingen klonk steeds luider, en meermalen werd geopperd de Hobby Club te transformeren in een ‘soos’, dus in een volstrekt consumptief gerichte instelling. In een poging de vereniging te behouden sloten de oudere (bestuurs)leden compromissen met de jongere leden, maar meermalen voelden zij zich als onbezoldigde jeugdleiders, die een stelletje lastpakken en lanterfanters in de hand moesten zien te houden. In het Nederland van 1972-1973 moest alles kunnen en mogen, maar de vereniging holde achteruit. Een nieuwe hedonistische generatie claimde de Hobby Club zolder als haar ‘hangruimte’ en op 10 november 1973 werd de bestuursverantwoordelijkheid aan deze nieuwe generatie overgedragen. Van de voorgenomen hobbyactiviteiten kwam niet veel meer terecht, maar in de nieuw gecreëerde gezelligheidsruimte gaf men zich over aan het hoogst individuele genot van muziekbeleving mede gestimuleerd door kruidige geuren. Slechts iets meer dan twee maanden later werd er een jeugdbende opgerold, die gestolen spullen op de hobbyzolder had verstopt. Het Hobby Club ideaal was verdampt.

Voetnoten:

  1. Tjebbe van Tijen, ‘Je bevrijden van de drukpers, jongeren en hun eigen pers in Nederland, 1945-1990’. In: Ineke van der Zande e.a. (red.), Van de straat: 150 jaar jeugdcultuur in Nederland, themanummer van Jeugd en samenleving, jrg. 21, nr. 2/3, februari/maart 1991, p. 168.
  2. Jacques Janssen, Jeugdcultuur. Een actuele geschiedenis, Utrecht: De Tijdstroom 1994, p. 97.
  3. André van der Louw, Rood als je hart, ’n geschiedenis van de AJC, Amsterdam: Uitgeverij De Arbeiderspers 1974, p. 122.
  4. E.H. Kossmann, De Lage landen 1780-1980. Twee eeuwen Nederland en België, Deel 2, 1914-1980, Amsterdam-Brussel: Elsevier 1986, p. 236.
  5. Jacques Janssen, Jeugdcultuur, p. 97.
  6. E.H. Kossmann, De Lage landen 1780-1980, p. 274.
  7. Arjan Dieleman, ‘De late jaren vijftig of de vroege jaren zestig?’ In: Ger Tillekens (red.), Nuchterheid en nozems. De opkomst van de jeugdcultuur in de jaren vijftig, Muiderberg: Dirk Coutinho 1990, p. 15-19.
  8. Anet Bleich en Max van Weezel, Ga dan zelf naar Siberië!!! Linkse intellektuelen en de koude oorlog, Amsterdam: Socialistiese Uitgeverij 1978.
  9. Vgl.: Ton van Egmond en Ab Mulder, ‘Kom mee naar buiten allemaal! Kamperen en trekken als elementen van de jeugdcultuur’. In: Ineke van der Zande e.a. (red.), Van de straat: 150 jaar jeugdcultuur in Nederland, p. 162.
  10. Cf. Jos Koning, ‘Ons geleidt de Nieuwe Tijd! Opkomst en ondergang van een ideologische zangcultuur van jongeren’. In: Ineke van der Zande e.a. (red.), Van de straat: 150 jaar jeugdcultuur in Nederland, p. 162.
  11. Jan Lenders, ‘Maatschappelijke ontwikkelingen en jeugdcultuur vanaf 1945’. In: Ineke van der Zande e.a. (red.), Van de straat: 150 jaar jeugdcultuur in Nederland, p. 104.