Hobby Puk, 6e jaargang, no 1

H O B B Y   P U K
=============
van Hobby Club Dordrecht.

Redactie: P.v.d.Weg, D.J.Jongeneel en A.S.Fok
Redactieadres: Houttuinen 13.
Gironummer: 601060 t.n.v. penn. H.C. Dordrecht.
Clublokaal: Hellingen 7, Wo 7½-10, Za 2½-10 uur.
6e jaargang, nr 1                                               oktober 1960
================================================

Van de redactie.
Wat zal de toekomst zijn van de H.C.D. door G.W.V.van Aardenne.
Luisteren naar muziek door Ru Sevenhuysen.
Studierubriek door A.Kastelein.
Hobby Club Vakantie Kamp door P.v.d.Weg.
Schot in de lucht door A.Kastelein.
Doel en opzet van de Hobby Club.
Logboekgeschiedenis van H.C.D.
Nieuws van de afdelingen.
Artistieke Hobbies door C.Timmermans.
Tips voor amateurfotografen door A.Fok.
Puks Peins Pagina.

Sedert de verschijning van de laatste Hobby Puk is reeds lange tijd verstreken. Ofschoon dit uit oogpunt van regelmaat te betreuren valt, heeft het voor de redaktie zelf een belangrijk resultaat opgeleverd.
Enige tijd geleden heeft een wisseling van de redaktie-leden plaatsgehad. De nieuwe leden werden zoveel mogelijk ingewerkt, edoch dit inwerken was slechts theoretisch. Een gevolg hiervan was, dat deze leden zich op een gegeven moment voor de moeilijke taak geplaatst zagen een Hobby Puk te doen verschijnen. Een jubileumnummer nog wel. Bovendien moest de Hobby Puk op zijn minst een even keurig aanzien krijgen, zo niet keuriger om het vertrouwen in de Hobby Club niet te schaden. Dat het verschijnen van dit nummer vele zorgen baarde is dus begrijpelijk.
Wat het nummer zelf betreft kunnen we zeggen, dat het een jubileumnummer is zoals U reeds ongetwijfeld heeft opgemerkt. De Hobby Club viert immers dit jaar haar 10-jarig bestaan, een feit dat zeker de moeite waard is om hier aandacht aan te besteden.
Om die reden zijn ook enkele bijzondere artikeltjes opgenomen en wel: " Blik in het verleden van Hobby Club Dordrecht ", " Doel en opzet van de Hobby Club " en " Wat zal de toekomst zijn? ".
Tot slot willen wij hier nog vermelden, dat de redaktie-leden (ook die, wier eindexamen juist voorbij is) hebben toegezegd te zullen streven naar een regelmatige verschijning van de Hobby Puk, waarvan dit jubileumnummer dan de gangmaker moet zijn.

Wat zal de toekomst van Hobby Club Dordrecht zijn? Heeft het zin hierover te schrijven? Ik waag het niet enige voorspellingen te doen, maar het is wel iets wat mij de laatste weken, nu ik besloten heb om, na 10 jaar lidmaatschap, definitief de Hobby Club te verlaten, intensief heeft beziggehouden en ik wil met dit stukje dan ook speciaal die leden, die zich voor de gang van zaken op de Hobby Club verantwoordelijk voelen (naar ik hoop zijn dat er meer dan de leden van het bestuur: ieder lid hééft een deel van deze verantwoordelijkheid!) iets ter overweging geven.
Het kan nuttig zijn, zeker bij het bereiken van een mijlpaal, zich een voorstelling te vormen van datgene wat wenselijk is om te bereiken (in een zekere toekomst) en wat mogelijk is om te bereiken. Wat zal je persoonlijk aandeel daarin zijn? Welke invloed kun je op de gang van zaken uitoefenen?
Het is niet eenvoudig, zo niet onmogelijk, om, zelfs op korte termijn, de ontwikkeling van iets geheel te voorzien. Met goede wil (en zonodig verantwoordelijkheidsgevoel en plichtsbesef) is het evenwel bijna altijd mogelijk om een redelijk gesteld voornemen ten uitvoer te brengen.
Als het een plicht betreft, valt het meestal niet mee. Maak er daarom een hobby van ook datgene te doen wat je oorspronkelijk (misschien) niet tot het gebied van je hobby rekende, maar wat noodzakelijk is om je hobby goed te kunnen beoefenen. Als simpel voorbeeld: opruimen en je zaken op orde houden. Ook het onderhoud van gereedschap behoort hier bijvoorbeeld bij. (Als je niet, weet hóe, vraag er dan naar! Gereedschap wordt gemakkelijker verknoeid, dan dat het op de goede manier behandeld wordt, zelfs het meest eenvoudige stuk gereedschap!) Een goede stelregel is: als je iets doet, doe het dan goed, namelijk zo goed als je kunt. Wees critisch voor jezelf en help anderen.
Een voorwaarde voor goede samenwerking is, dat je eerlijk en openhartig tegen elkaar bent en dat je veel aan elkaar vertelt en met elkaar bespreekt.
Als je eens met elkaar bespreekt wat je zal doen of maken, heb je de meeste kans van slagen. Misschien is er wat meer tijd voor nodig, maar is goede samenwerking niet belangrijk? Dit alles geldt zowel voor kleine zaken als voor grote en, uiteraard, ook voor de Hobby Club in zijn geheel! Het op gang houden van de organisatie is geen gemakkelijke opgave.
De bestuurstaken zullen zeker ook tot de hobbies van de bestuursleden moeten behoren (en voor toekomstige bestuursleden moeten gaan behoren) willen alle bestuursleden hun (zelf aanvaarde!) taak zo goed mogelijk volbrengen. Het bestuur behoeft aller medewerking en verdient alle waardering voor de, ons zo ondankbaar schijnende, dienende taak, die ze heeft. Ook bij de voorbereiding van een nieuwe fase in het bestaan van Hobby Club Dordrecht kunnen samenwerking, overleg, wikken en wegen belangrijk zijn. Bezint voor ge begint! Vertrouw nooit op een gunstig toeval.
Betrek het voorgaande nu eens op jezelf, op de plaats die jij in de bescheiden gemeenschap Hobby Club Dordrecht inneemt. Lees het voorgaande nog eens over en trek je conclusies.
Veel succes!
Wat de toekomst van Hobby Club Dordrecht zal brengen, weten we niet, maar wat de toekomst van Hobby Club Dordrecht zal zijn, daarvoor is ieder lid mede verantwoordelijk!
Wat jullie er zelf van maken en wat de volgende Hobbyanengeneraties ervan zullen maken, dát is de toekomst van Hobby Club Dordrecht.
Moge het een goede toekomst zijn!

G.W.V. van Aardenne.

Naschrift: De redactie hoopt, dat alle leden bij het werk op en voor de H.C. dit artikel steeds voor ogen zullen houden.

(Red.)

LUISTEREN naar MUZIEK

De vorige keer heb ik jullie iets verteld over de dirigent. Je hebt het natuurlijk allemaal goed gelezen en dus wel begrepen, dat een dirigent ontzettend veel te doen heeft. Bovendien kost hem bijvoorbeeld het samenstellen van programma's veel hoofdbrekens. Welke stukken moet hij uitkiezen? Om dit goed te begrijpen moeten jullie eerst weten hoe een programma van een concert er uit ziet. Ik ga nu uit van een concert, dat door een orkest gegeven wordt. Laten wij eens in een radioprogrammablad kijken. Je weet, dat in zo'n blad heel veel concerten kunnen voorkomen.
Hier heb ik er al één: Symfonie orkest onder leiding van Carl Schuricht; solist Hans Richter Haaser, piano.
1. Ouverture "Oberon" van Weber 2. Pianoconcert no. 4 in G grote terts van Beethoven 5. Symfonie no 6 op. 74 in b kl. t. van Tschaikowsky. Wat een namen allemaal hè? Wij zullen eens zien wat dat allemaal betekent.
Jullie weten wat een symfonie is. Carl Schuricht is natuurlijk de dirigent, hij is bovendien beroemd en heeft ook vaak in ons land gedirigeerd. Dan de solist. Dat is iemand, die solo (alleen) speelt. Meestal zijn dat beroemde musici. Deze Hans Richter Haaser is een geweldig goed pianist.
Dan komt er het woord ouverture. Dat is een inleiding. Tot wat? In dit geval tot een opera. Een opera is een gezongen toneelstuk. De toneelspelers spreken hun rollen dus niet, maar zingen ze. Overigen is alles precies eender. Alléén nog één vraag: "Waar zit nu bij de opera het orkest?". Welnu, onder het podium. Eròp kan het niet, want daar wordt toneelgespeeld, dus eronder. Jullie begrijpen, dat het een grote ruimte moet zijn. Deze wordt de orkestbak genoemd. Onder musici wordt gesproken over de "bak". Ik heb zelf ook in een operaorkest gespeeld, en zou dus kunnen zeggen, dat ik een tijd in de bak heb gezeten. Wij keren nu terug naar ons programma. Ouverture Oberon betekent dus: de inleiding tot de opera Oberon. De componist is Weber. Dit was een beroemd Duits componist, die geleefd heeft van 1786 tot l826. Verder staat er "pianoconcert no. 4". Eén ding is hier al direct duidelijk, namelijk dat cijfer 4. Maar wat is een pianoconcert? Wel, dit is een muziekstuk voor piano en orkest. Als je nu even goed nadenkt over het woord concert dan kun je begrijpen, dat dit woord twee betekenissen heeft.
1. een concert is een gelegenheid waar je naar toe gaat om naar muziek te luisteren.
2. een concert is een muziekstuk voor een solo-instrument met een orkest. Het solo-instrument is hier dus erg belangrijk.
Zo'n pianoconcert heeft meestal drie delen, namelijk vlug - langzaam - vlug. Deze namen staan boven de muziek en onthoud, dat dit dus geen titels, maar temponamen zijn! Deze muziek betekent dus niets. Er is ook geen verhaal bij; het is alleen maar een mooi spel van melodieën. Later vertel ik jullie van zulke muziek nog wel meer.
Beethoven was een beroemd componist, die leefde van 1770 tot 1827. Jullie hebben er natuurlijk wel van gehoord. Probeer in de bibliotheek maar eens een boek over hem te krijgen.
Je zult er geen spijt van hebben. En dan staat er nog: Symfonie op. 74 in b kl. t. van Tschaikowsky; een symfonie is een muziekstuk voor een symfonie-orkest en bestaat uit meerdere onderdelen. Ook boven deze delen staan weer temponamen en geen titels, precies als bij een pianoconcert. Deze temponamen worden altijd in de Italiaanse taal geschreven. Waarom Italiaans? Omdat de echte instrumentale muziek omstreeks 1550 in Italië is ontstaan. Uit die tijd stamt de gewoonte om temponamen in het Italiaans te schrijven. Jullie kunnen die namen vaak tegenkomen, bijvoorbeeld: largo = zeer langzaam; adagio = langzaam; andanto = matig van tempo; allegro = vlug; presto = zeer vlug. Er zijn natuurlijk nog veel meer namen, die je echter altijd in een Italiaans- of in een muziekwoordenboek kunt opzoeken.
Op. 74 is een afkorting van opus en opus betekent werk, dus opus 74 = werk no. 74.
Het laatste wat ik jullie deze keer verklaren wil is dat b kl. t. (of bij Beethoven G gr. t.). Ja, nu zou ik eenvoudig kunnen zeggen, dat de hoofdmelodie (elk stuk heeft zo'n melodie; dit is een melodie welke het meest voorkomt) geweven is om de toon b (of bij Beethoven de toon g). Maar dat zou je niet duidelijk zijn denk ik, en bovendien wat betekent dan kleine en grote terts?
Dat is een theoretisch onderwerp, dat je alleen kunt begrijpen als je bij een piano zit. En omdat ik het prettig vind, wanneer jullie het goed begrijpen -jullie toch zeker ook? – noem ik het praatje van de volgende keer:
"Babbeltje bij de piano".
Dus tot de volgende keer!

Ru Sevenhuysen.

______________________________________________________

STUDIE RUBRIEK.

De oscillograaf.

De oscillograaf, ook wel aangeduid met de termen kathodestraaloscillograaf (K.S.O.); elektronenoscillograaf (E.S.O.); oscilloscope; scope; kijkpijp e.d. is in werkelijkheid een soort schrijfwerktuig, dat trillingen optekent of kortweg een grafiekenschrijver. Het hart wordt gevormd door de eigenlijke elektronenstraalbuis of kijkpijp.
Daar zullen we dus mee beginnen en zo komen we dan tot de volgende indeling van deze bijdrage voor de Hobby Puk:
1. de elektronenstraalbuis.
2. de versterkers.
3. de tijdbasis.
4. de synchronisatie- triggerinrichting.
5. wat we met een oscillograaf kunnen doen.
6. beschrijving van de Hobby Club demonstratie-oscillograaf.

1. de elektronenstraalbuis.
Deze buis is vandaag aan de dag niet zo'n onbekende verschijning meer, want er zit een, goed zichtbaar, in elk T.V. toestel. Ze bestaat dus uit een scherm, waaraan een conisch gedeelte, dat uitloopt in een stukje ronde cylinder waaraan de voet is bevestigd.
Het geheel is luchtledig gepompt. Op de wanden rust dan ook de volle atmosferische druk van 1 kg/cm2.
Alleen al op het scherm van een 15-cm buis wordt een totale druk van 175 kg uitgeoefend. De glazen wand is dan ook tamelijk dik en het scherm staat enigszins bol.
Acherin de buis, bij de voet, is een elektronenkanon opgesteld: een indirecte verhitte kathode, die elektronen uitzendt. De uitgezonden elektronen passeren een soort rooster, dat in werkelijkheid een cylinder is met in een zijvlak een klein gaatje en de Wehneltcylinder wordt genoemd, die de kathode omgeeft. (zie tek.)
De uitgezonden elektronen waren dus al enigszins gebundeld en worden na de Wehneltcylinder gepasserd te zijn versneld door de anode, die op een hoge positieve potentiaal is gebracht (enkele kilovolts).
Deze anode bestaat uit een schijfje, dat in het midden doorboord is.
De elektronenstraal schiet gedeeltelijk door deze kleine opening zodat een smalle bundel gevormd wordt. Door middel van een elektronen optische lens wordt deze elektronenstraal nog verder gefocusseerd, zodat alle elektronen op één bepaald plekje, nl. het midden van het scherm, terecht komen. Dit scherm is voorzien van een laag, die oplicht wanneer er snelle elektronen tegen op vliegen. Bij buizen, bestemd voor een oscillograaf meestal in de kleur groen, bij T.V.buizen altijd wit.
De elektronen optische lens wordt gevormd door enkele anodes die een zodanige spanningsverdeling veroorzaken, dat de straal gefocusseerd wordt. Deze focussering is ook van buiten af te regelen, zodat daar altijd een knop voor aanwezig is.
De spanning op de Wehneltcilinder bepaalt de hoeveelheid elektronen, die doorgelaten wordt en daarmee de helderheid van de lichtvlek. Deze spanning wordt ook instelbaar gemaakt. Verder zijn er in de buis nog aangebracht 2 stellen afbuigplaten, onderling loodrecht op elkaar (tek. 1).
De elektronenstraal loopt tussen beide stellen afbuigplaten door. Wordt er tussen de 2 platen van het eerste stel platen een spanningsverschil gelegd, dan trekt de meest positieve plaat de elektronenstraal meer aan dan de minst positieve: de elektronenstraal wordt afgebogen en de lichtvlek op het scherm verplaatst zich naar boven of beneden. Evenzo bij het tweede stel platen, dat de lichtstraal naar links of naar rechts kan doen verplaatsen.
Door de spanningen op de platen goed te kiezen kan de elektronenstraal het gehele scherm bereiken. We hebben als het ware een elektronisch potlood, waarmee we kunnen tekenen. Dit gaat bovendien praktisch volkomen traagheidsloos. Op de afbuigplaten zetten we dus de spanningen die we willen bekijken.
Nu moet de gemiddelde spanning op de afbuigplaten ongeveer gelijk zijn aan de spanning van de versnellingsanode en het focusseringssysteem, anders zou de elektronenstraal afgeremd worden. En omdat de spanning van de versnellingsanode in de orde van grootte van enkele kilovolts ligt t.o.v. de kathode moet ook de gemiddelde spanning op de afbuigplaten enkele kilovolts t.o.v. de kathode bedragen.
Er zijn nu twee mogelijkheden:

1. we verbinden de kathode met massa of aarde en brengen de rest op een positieve spanning van enkele kilovolts, terwijl we de wisselspanning op de afbuigplaten via condensatoren toevoeren.

2. we verbinden de versnellingsanode met aarde en brengen de kathode met Wehneltcilinder op een negatieve potentiaal van enkele kilovolts t.o.v. massa.

De gemiddelde spanning op de afbuigplaten kan dan ook nul volt bedragen en er zijn geen scheidingscondensatoren nodig. Vanzelfsprekend is de 2e oplossing in verband met gevaar,eenvoud en frequentiekarakteristiek zonder meer het beste en wordt dan ook altijd toegepast. Een schakeling voor een K.S.B. in een oscillograaf ziet er meestel als tek. 2 uit. De buis wordt gesecondeerd door een potentiometer, die alle elektroden van de juiste spanningen voorziet! De afbuigplaten zijn vrij om er een willekeurige spanning op aan te sluiten.
II. De versterkers.
Om de kathodestraal uit te sturen, d.w.z. om de lichtvlek te verplaatsen over het gehele scherm is meestal een spanning nodig van de orde van grootte van 100 Volt. Dat is vrij veel en om kleine spanningen zichtbaar te maken hebben we dan ook versterkers nodig. het eenvoudigst is om van een stel afbuigplaten een plaat door te verbinden met massa en de te meten spanning via de versterker aan te sluiten op de andere plaat. Beter is echter om een versterker toe te passen, die twee signalen afgeeft, in tegenfase met elkaar, dus een soort balansversterker. Doen we dit niet dan kan een zekere vervorming van het beeld optreden. Aan welke eisen moeten de versterkers voldoen? Allereerst valt op te merken, dat het geen energieversterkers behoeven te zijn, zoals bij geluidsversterkers altijd het geval is. Wat we nodig hebben zijn slechts spanningen, al zijn het dan vrij hoge spanningen. We betrekken echter geen stroom van de versterkers. Wat uitermate belangrijk is, is de frequentiekarakteristiek van de versterkers. Voor algemene toepassing van een oscillograaf moet deze in staat zijn zowel laagfrequent- als hoogfrequent en soms zelfs wel gelijkspanning te versterken. Dit is een eis, die bij geluidsversterkers weer bijna nooit optreedt. Onder andere voor de oscillografen zijn dan ook de zg. brede band versterkers ontwikkeld. Ze kenmerken zich altijd door lage anode weerstanden en correctie-elementen zoals spoeltjes en condensatoren. Wordt symmetrische uitsturing toegepast van de beide afbuigplaten, ook wel push-pull afbuiging genoemd, dan is dus nog een faseomkeerbuis aanwezig. In een oscillograaf zijn meestal aanwezig zowel een versterker voor de vertikale afbuiging, de y-versterker, als een versterker voor de horizontale afbuiging, de x-versterker. Meestal is de y-versterker gevoeliger dan de x-versterker om een reden, die later wel duidelijk zal worden. Een verdere eis voor deze versterkers is uiteraard een lage vervormingsgraad. Niet altijd worden de eisen zo zwaar gesteld als hier geschetst. Dat hangt af van de toepassing van de oscillograaf.
III. de tijdbasis.
We willen nu op het scherm van een elektronenstraalbuis een grafiek optekenen van een sinusvormige spanning als functie van de tijd. Dat is dus zoals deze spanning o.a. in de vorige Hobby Puk opgetekend is en in fig. 3 nogmaals te zien is. Deze grafiek geeft dus op elk moment de spanningswaarde van de wisselspanning. Sluiten we deze spanning aan op de y-platen dan ontstaat op het scherm een vertikale streep. De lichtvlek beweegt nl. op en neer. Bij A heeft de spanning haar mamaximale positieve waarde, bij B haar maximale negatieve waarde. Ligt de frequentie boven ongeveer 10 Hz dan zien we door de traagheid van ons oog een lichtende streep. Hiermede hebben we echter nog niet de gewenste grafiek. Daarvoor is nodig, dat we ook op de x-platen een spanning zetten. Deze spanning moet de lichtvlek met een constante snelheid van links naar rechts doen bewegen. Dan verkrijgen we namelijk een lineaire tijdas. Is de lichtvlek dan rechts aangekomen, dan laten we haar snel terugschieten naar links en kan ze haar tocht van links naar rechts opnieuw hervatten. Op elke tocht naar rechts wordt dan een stukje grafiek geschreven. Komt nu de tijdsduur van zo'n roes van links naar rechts overeen met de duur van 1 periode van de wisselspanning, dan wordt telkens hetzelfde beeld gevormd op het scherm, steeds op dezelfde plaats en wel van 1 periode van de wisselspanning. We zien dan fig. 3 op het scherm.
Is de frequentie van de wisselspanning twee maal zo groot dan worden in dezelfde tijd 2 periodes beschreven en ontstaat fig. 4. Wat voor vorm moet de afbuigspanning op de x-platen hebben? De lichtvlek moet zich met constante snelheid van links naar rechts verplaatsen. De verplaatsing van de lichtvlek moet dus lineair met de tijd toenemen. En evenzo de spanning op de andere (rechtse) afbuigplaat. Als ze dan maximaal geworden is en daarmee de lichtvlek in haar meest rechtse stand, dan moet ze terugvallen tot de beginwaarde. Maken we van deze spanning een grafiek, dan verkrijgen we het beeld van fig. 5.
Dat is dus een zaagtandspanning. In een oscillograaf is dus aanwezig een generator, die deze spanning kan opwekken. De frequentie van deze zaagtandspanning is in te stellen in een ruim gebied bv. van 10 Hz tot 50 kHz. Daarmee regelen de dus de tijdsduur van de lichtvlok van links naar rechts. We kunnen ook direct met de frequentie van de spanning regelen: kiezen we voor de tijdbasis-frequentie, dat is de frequentie van de zaagtandgenerator, bv. 50 Hz dan ontstaat bij een wisselspanning van 50 Hz op de y-platen een enkele sinus, bij 100 Hz een halve sinus, etc.
Wat gebeurt echter wanneer de frequentie van de sinusspanning niet precies een veelvoud is van de tijdbasisfrequentie? Als voorbeeld bekijken we eens het geval, dat de periode van de tijdbasis 1000 microseconden is, terwijl de periode van de spanning op de y-platen 1100 microseconden bedraagt. De zaagtand is dan dus iets sneller dan de wisselspanning. Op tijdstip t = 0 stellen we de situatie als volgt:
De lichtvlek bevindt zich uiterst links en zowel de zaagtand als de sinusspanning gaan een periode beginnen. Na 1000 microseconden is de periode van de sinusspanning volledig doorlopen.
De zaagtandperiode is echter nog niet af en dus wordt er achter de eerste periode van de sinusspanning nog 1/10 gedeelte van de volgende periode opgetekend (fig. 6). Tijdens de volgende periode van de zaagtandspanning begint de sinusspanning dus ook 1/10 periode van het begin en van de daarop volgende periode wordt al 2/10 gedeelte beschreven. Tijdens elke volgende periode van de zaagtand wordt 11/10 periode van de wisselspanning opgetekend en telkens over 1/10 periode verschoven t.o.v. de vorige. Weer door de traagheid van ons oog zien we een lopend beeld. In dit geval loopt het beeld achteruit, d.w.z. van rechts naar links. Dit laatste vereist wel wat voorstellingsvermogen om te begrijpen en mogelijk is mijn verhaal wat mindor duidelijk dan gewenst, maar op de Hobby Club kan dit altijd gedemonstreerd worden en daarop schuif ik mijn verantwoordelijkheid dan ook maar af. Is de frequentie van de zaagtand wat hoger dan die van de sinusspanning dan loopt het beeld vooruit, van links naar rechts. Is het verschil weer wat groter dan gaat het beeld stilstaan, maar dat zijn zaken die beter zelfstandig bekeken kunnen worden met een oscillograaf. De wijze waarop de zaagtandtrillingen gegenereerd worden is een hoofdstuk op zichzelf. Dat komt misschien nog wel eens aan de orde, maar één eenvoudige schakeling, die tegelijk grondidee is voor alle varianten wil ik toch nog wel noemen (Zie hiervoor tek. 7) Een condensator C wordt via een hoge weerstand R opgeladen uit een gelijkspanningsbron van enkele honderden volts. De spanning op de condensator loopt langzaam op, hetgeen in tek. 8 geïllustreerd wordt.
Over de condensator is een gasgevuld buisje geschakeld, bv. een neonbuisje. Dit buisje gaat pas branden als de spanning boven een bepaalde waarde komt, de zogenaamde ontsteekspanning (zij kan bijvoorbeeld 150 Volt zijn). Als het eenmaal ontstoken is, brandt het verder, waarbij de spanning over het buisje zakt tot bijvoorbeeld 125 Volt. Beneden deze spanning dooft het weer. Is nu de spanning over de condensator opgelopen tot 150 Volt dan ontsteekt het buisje en de spanning daalt snel tot de brandspanning van 125 Volt, dan dooft het lampje wederom en de condensator wordt opnieuw opgeladen tot 150 Volt. Het ontsteekt dan weer en dit gaat dan zo voort. Op deze wijze ontstaat een zaagtand, die praktisch lineair stijgt.
Hiermee heb ik de eenvoudigste schakeling van een zaagtandgenerator behandeld, die desalniettemin van veel belang is en ook vaak wordt toegepast.
De rest van het programma is voor de volgende keer.

A.Kastelein.

HOBBY CLUB VAKANTIE KAMP.
======================

Zaterdagmorgen, 23 juli 1960 om twee minuten over acht vertrokken de deelnemers van het H.C.kamp naar de Wildert te Hoeven, het recreatieoord van de gemeente Dordrecht, aldaar aangekocht.
Omstreeks 10.00 uur kwamen we daar aan. Het allereerste, wat we na de begroeting gingen doen, was het opzetten van de tenten, d.w.z. een grote legertent voor de jongens om te slapen, een witte tent, die als radiotent zou fungeren en een witte tent, die als fouragetent annex E.H.B.O-post zou worden gebruikt. Bovendien zetten Dirk Jan en Paul nog de shelter van laatstgenoemde op, waarin Joke dan kon slapen. Adri en Paul hebben uitgerekend hoeveel tijd er voor het opzetten van de tenten minder nodig was dan vorig jaar en zij kwamen tot de conclusie, dat dit verschil net 50% was oftewel 45 minuten. Nu moet er wel worden bij gezegd, dat er reeds één witte tent was opgezet, maar daartegenover staat dan het feit, dat er vorig jaar geen shelter was meegenomen. Enfin, we mogen tevreden zijn.
Nadat we die tenten opgezet hadden, gingen we strozakken halen. Ook dekens mochten we gebruiken. Velen maakten dadelijk hun bed op en om ongeveer 11.30 uur was iedereen klaar met uitzondering van enkele technici, die ons "elektrisch net" verzorgden. Het duurde niet lang of enkele leden ontdekten nog andere Dordtenaars, nl. de padvinders van de Chr. De Wett groep. Paul bleek al direct zeer hulpvaardig bij enkele werkzaamheden van de padvinders en leerde op die wijze Robert en Willy kennen. Later zou zelfs blijken, dat Willy lid van Hobby Club Dordrecht werd!
Om ongeveer een uur waren bijna alle leden bezig met iets ronds dat in de volksmond bal genoemd werd. Enkelen probeerden serieus volleybal te spelen, maar doordat het net tot drie maal toe werd verplaatst slaagde men hierin niet bijster.
Het eten was erg leuk en de maaltijd verliep in een prettige sfeer. Tijdens deze maaltijd kreeg Cees Fontijn een bijnaam die hij op de Hobby Club vermoedelijk nooit meer zal verliezen: Konijn. Voortaan zullen jullie dan ook alleen maar de naam konijn tegen komen.
Toen het donker werd, haalde iedereen een zaklantaarn te voorschijn. Met het licht van een zaklantaarn wees Arend ons verschillende sterrenbeelden aan. Om half elf gingen we ons verkleden en om elf uur ging het licht uit. Roelf Scholte had stinkbommen bij zich en brak er een bij het bed van Rob Apon, hetgeen hevige consternatie veroorzaakte. Langzamerhand viel iedereen in slaap.

Zondagmorgen was iedereen al zeer vroeg op en niemand wilde slapen, ondanks het feit dat Adri gezegd had dat we tot acht uur mochten slapen. Iedereen praatte, maar eensklaps was het stil: de luidspreker sputterde en daar kwam de vertrouwde stem van Adri met zijn bekende "Goedemorgen, allemaal"............ Daarna werden er een paar plaatjes gedraaid, maar om acht uur precies klonk de tune van Hobby Club Dordrecht:"De Posthoorngalop", hetgeen betekende, dat voor de H.C. officieel weer een nieuwe dag was aangebroken. Direct hierna zette hij de radio aan. Dirk Jan, Joke en Paul gingen naar de fouragetent, waar zij het eten klaar maakten. Om 9 uur waren we klaar met het eten en was het wachten alleen maar op de corveeërs. Tegen half tien waren we bij het Bosbad, maar aldaar aangekomen merkten we dat het nog gesloten was. Zeven minuten over tien gingen we naar binnen. Veel is er niet gezwommen, omdat het water veel te koud was, maar des te meer wilde iedereen zich door de zon laten bruin bakken. Even voor tweeën gingen we terug naar het kamp, waar we nietsdoend rondslenterden. Om drie uur kwam over de luidsprekers de mededeling, dat degenen die met Arend wilden meegaan op een tocht door de omgeving zich dienden klaar te maken.Lang niet iedereen ging mee. Tegen zessen klonk de etensbel en net op dat moment kwamen de ouders en zussen van Paul van de Weg aan. Na het eten gingen de meeste leden volleyen, tot acht uur, toen we naar de etenstafel teruggingen, waar Adri ons het een en ander over de vossejacht mededeelde. Aan deze mededelingen koppelde hij een proefvossejacht. Tegen elf uur lag iedereen weer in bed, maar stil werd het nog lang niet, dat was pas tegen twaalf het geval.

Maandagmorgen stonden we om zeven uur op. Het regende toen, en dat heeft het de hele morgen gedaan; een nare akelige kille motregen. In dit slechte weer zetten wij voor de welpen een grote legertent op. Wim Punt vermaakte in onze slaaptent de welpen. Met lange uithalen herhaalden zij telkens "Potje met vet", begeleid door Wim op zijn gitaar. 's-Middags was er een vossejacht. Toen Rob Apon op ongeveer 20 meter afstand van de zender was en mijn groepje op 50 meter, verdween de zender uit de lucht: storing. Vol moed liepen Dirk Jan, Joke Frits en ik verder, terwijl we telkens zijpaden inliepen op zoek naar Adri. Hadden we vorig jaar zo'n groot succes met de varkensstal, waar wij de vos in dachten, maar waar echte varkens bleken te huizen, dit jaar had mijn groep succes met de tabak van Adri.
Ik meende zeker te weten, dat ik Adri's tabak rook. Toen we op nader onderzoek uitgingen bleek dit de lucht te zijn van bladeren rottend op een mesthoop. Opeens kwam de zender weer in de lucht. Inmiddels had Wim als eerste de vos gevonden. 's-Avonds was de avond aan sport gewijd. Bij het hardlopen won Roelf Scholte, op de voet gevolgd door Arend. Bij het hoogspringen won Roelf ook. Daarna hadden we volleybal. Eer waren twee partijen; aanvoerders waren Dirk Jan en Frits. Dirk Jan's ploeg won. We hadden een gratis consumptie te goed die we bij de fouragetent mochten halen. Tenslotte kregen we nog een veldloop van ongeveer 2 km, die gewonnen werd door Paul van de Weg. Inmiddels was Peter begonnen de zender na te kijken. Zo verliep de avond gezellig en het is wel te begrijpen, dat we nog lang in bed napraatten.

Dinsdagmorgen hadden we vrij. Sommigen gingen naar het dorp, waar ze wat kochten. 's-Middags hadden we een nieuwe vossejacht. De zender was bijzonder moeilijk te horen, omdat zij bij de spoorlijn stond. Maar natuurlijk viel zij weer uit. Dat werd langzamerhand traditioneel. 's-Avonds volleyden we en daarna maakten de meesten, onder leiding van Adri, een wandeltocht. Inmiddels maakten de achtergeblevenen van de pyama's der wandelaars een pop, die ze in het bed van Frans Vendeloo legden. Deze pop was bijzonder goed geslaagd. Toen we in bed gingen haalde Punt zijn "ooievaarskuitenvet" tevoorschijn en de kaarsen, die hij brandde tot zieleheil van Peter bij een reorganisatie van zijn koffer.
De volgende morgen konden wij de bandopname van deze avond beluisteren, die zonder dat wij het wisten door Adri gemaakt was.

Woensdagmorgen begon goed, toen er een mededeling over de luidsprekers kwam. Arend zou gaan filmen. Iedereen moest vroeg opstaan. Na de maaltijd gingen we zwemmen tot ± 1.30 uur. Toen werd omgeroepen of de leden van H.C.D. zich wilden aankleden. 's-Middags wilden we naar het vliegveld "De cockpit" gaan, maar door verwachte weersveranderingen ging dit niet door. Toen kwam er maar een nieuwe vossejacht. 's-Avonds was er weer een vossejacht. Toen we de vos gevonden hadden bleek het dat hij vlak bij het kamp verborgen was. Vanzelfsprekend werd er nog laat over deze dag gepraat.

Donderdagmorgen mochten we tot acht uur uitslapen. 's-Middags kregen we een gebakken ei bij het brood, waarna ons de vrije hand werd gelaten. Arend en Peter waren bezig met een geluidsinstallatie voor het kamp.
's-Avonds stond de volleywedstrijd van H.C.D.-Privé op het programma, welke gewonnen werd door Privé met 2-1. De spelers die de eer van de H.C. verdedigden waren: Wim de Leeuw van Weenen, Dirk Jan Jongeneel, Eldert Nelisse, Roelf Scholte, Frits Jongeneel en Paul van de Weg. Na deze wedstrijd kenden wij van een bonte avond genieten, ons gepresenteerd door de Chr. De Wettgroepen Hobby Club Dordrecht. Verschillende toneelstukjes werden door de welpen opgevoerd, terwijl Joke v.d. Brink een gedicht declameerde. Na deze bonte avond was er een lampionnenoptocht voor de welpen, die daarna naar bed gingen. De Hobby Club niet aldus. Zij, d.w.z. de leden, bleven maar praten en lachen tot bijna half één. Toen sliep ook de laatste prater. Toch hadden we wel reden zo lang na te praten als we denken aan de vossejacht, die deze middag voor de welpen georganiseerd was (in een stromende regen).

Vrijdagmorgen mochten we nog later, nl. tot negen uur, uitslapen, hetgeen echter alleen maar door Paul van de Weg en Roelf Scholte gedaan werd. Direct na het eten togen wij naar het zwembad, terwijl Dirk Jan en Paul naar Oudenbosch gingen, waar ze het boek "Honden, wilt ge eeuwig. leven" voor de Fam. van Hees o en een pak sigaretten voor Gerrit kochten, met nog snoep enz. Hierna gingen ook zij naar het Bosbad. 's-Middags werden er sassertjes uitgedeeld (suikerklontjes besprenkeld met citroensap).
's-Avonds stond de revanche-wedstrijd tegen Privé op het programma, die we echter weer verloren met 2-1, zij het dat het nu maar heel weinig scheelde. Direct daarna gingen we ter vossejacht. Daar beleefden we nog wat met stropers, die we hoorden. Het valt dan ook niet te veranderen, dat we pas om elf uur op het kamp terug waren. Daar aangekomen gingen wij weer aan het bakken van eieren. Pas om twaalf uur kinden we eraan denken te gaan slapen. Maar toen gingen Roelf Scholte, Henk Hilbink, Wim Punt en Rob Apon nog kaarten. Om kwart voor twee vroegn zij me of ik mee ging naar het dorp. Daar werd ik speciaal voor wakker gemaakt en dat midden in de nacht. Wat ik toen gezegd heb valt te excuseren.

Zaterdagmorgen stonden we vroeg op. Na de maaltijd gingen we alles opruimen. Alle bagage werd in de grote legertent geplaatst en zou later op de dag door Arend met het busje worden gehaald. Toen alles klaar was togen we dan naar Dordrecht, waar we na een fietstocht van bijna 1 1/2 uur arriveerden.

SCHOT IN DE LUCHT.
================

Zoals beloofd gaan we dit keer tot het belangrijke punt van de voortstuwing over. We zullen achtereenvolgens eens verschillende onderwerpen wat nader bekijken, die met de voortstuwing ten nauwste samenhangen.
1. Waardoor wordt het voertuig omringd.
Bij alle voertuigen die we tot nu toe kennen is er sprake van een bepaald medium waarin of waarop het voertuig zich beweegt. Zo kennen we wegen en spoorwegen voor onze voertuigen op wielen, water voor onze schepen en de zwemmers, ijs voor de schaatsenrijders, lucht voor onze vliegtuigen ed. Is er ook iets dergelijks aan te wijzen voor een ruimtevaartuig? We weten, dat de ruimten tussen de planeten, de interplanetaire ruimte, en de ruimte tussen de sterren, de interstellaire ruimte, praktisch volkomen leeg te noemen zijn. Slechts uiterst geringe hoeveelheden gas en kleine deeltjes bevolken deze ruimten. Het "luchtledige" tussen de sterren is dan ook vele malen beter dan wij hier op aarde met onze machines kunnen bereiken.
Een ruimtevaartuig, dat zich temidden van deze planeten bevindt ontmoet dan ook niets op zijn weg. Een belangrijk gevolg hiervan is, dat het ruimtevaartuig totaal geen wrijving ondervindt bij haar beweging. Begrijpelijk is dit een enorm groot voordeel. Maar hierover zullen we nog wat later komen te spreken. We hebben gezien, dat de atmosfeer van de aarde waarneembaar is tot op enkele honderden kilometers van de aarde. Daarbuiten begint dus zo ongeveer de lege ruimte. En deze lege ruimte is bij uitstek geschikt voor onze ruimtevaartuigen. Door volkomen afwezigheid van elke wrijving is het absoluut niet nodig om het ruimtevaartuig van een stroomlijn te voorzien. In de praktijk zal vermoedelijk wel blijken dat een doelmatig gebouwd ruimtevaartuig alles behalve een stroomlijn bezit. Nu rijst dus de moeilijkheid hoe een ruimtevaartuig vanaf het aardoppervlak tot buiten de atmosfeer te krijgen. Ofwel: we moeten onderscheid maken tussen de eigenlijke ruimtevaartuigen en de ruimtevaartuigen die ervoor moeten zorgen, dat we het aardoppervlak kunnen verlaten en het van buitenaf weer kunnen bereiken. En evenzo bij het einddoel van onze reis. Deze gedeelten van de reis vereisen bijzondere vaartuigen, die zich ook in een atmosferische ruimte snel kunnen voortbewegen. De voornaamste moeilijkheid is de grote wrijving en de warmte die tengevolge van deze wrijving geproduceerd wordt, welke de temperatuur van het vaartuig hoog kan doen oplopen. Vanzelfsprekend moeten deze voortuigen een grote stroomlijn bezitten.
2. Een beetje bewegingsleer.
Deze leer bemoeit zich altijd met lichamen. Hiermee wordt bedoeld een of ander voorwerp, dat gewicht heeft (beter massa) en waar verder de vorm niet zo erg belangrijk is. We kunnen ons er een stuk hout of ijzer voor denken of watdan ook. Welnu een belangrijke wet zegt (Newton) , dat een lichaam dat in beweging is volhardt in deze beweging tenzij er krachten op dat lichaam inwerken. Met een beweging wordt hier bedoeld een beweging in een rechte lijn en met een constante snelheid ofwel: een rechtlijnige eenparige beweging. Zou een wagen over een weg kunnen rijden zonder dat er wrijving op zou treden, dan zou deze wagen na een zetje te hebben gehad, altijd blijven doorrijden met een constante snelheid. Inderdaad weten we uit ervaring dat naarmate de wrijving van de wagen (fiets) minder is, de wagen (fiets) langer uitrijdt na een zetje. Maar hier op aarde wordt dit ideale geval altijd onmogelijk gemaakt, omdat er wel wrijving optreedt die een vertragende kracht uitoefent op de beweging. Door deze remmende kracht wordt de snelheid minder. In het algemeen kan gezegd worden, dat een kracht die op een lichaam inwerkt, een verandering van de snelheid van dat lichaam veroorzaakt. Werkt op een lichaam een constante kracht dan neemt de snelheid van dat lichaam elke seconde evenveel toe in de richting van de kracht. Bezat dat lichaam voordat de kracht ging werken al een zekere snelheid, dan hangt het van de richting van deze snelheid t.o.v. de richting van de kracht af of het lichaam versneld of vertraagd wordt. De grootte van de versnelling (of vertraging) hangt behalve van de grootte van de kracht ook of van de massa van het lichaam. Hoe groter de massa des te groter is de kracht, die nodig is om dat lichaam een bepaalde versnelling te geven. Voor de liefhebbers in formule: K = m x a.
3. Welke krachten werken er op een ruimtevaartuig?
Dat zijn dan in de eerste plaats de aantrekkende krachten van de hemellichamen. We hebben gezien, dat deze krachten afnamen evenredig met het kwadraat van de afstand tot het middelpunt van het betreffende hemellichaam.
Bevinden we ons op aarde, dan heeft, door de geringe afstand tot het middelpunt der aarde, deze aarde uiteraard een grote invloed op ons. Komen we verder van de aarde af en dichter in de buurt van andere hemellichamen dun geraken we steeds minder onder invloed van de aarde en steeds meer onder invloed van het hemellichaam, dat we naderen. Verder werkt er op ons ruimtevaartuig in geval dit reist door de atmosfeer de wrijvingskracht, die dus een remmende invloed heeft op ons bewegende ruimtevaartuig. Verder zijn er geen krachten aan te wijzen die een merkbare invloed op ons uitoefenen. Nu we dus de op ons inwerkende krachten kennen, kunnen we met K = m x a precies voorspellen wat er met ons gaat gebeuren zodra we ons zelf tot speelbal maken van de ons omringende hemellichamen. Ter illustratie zullen we in gedachten een reis naar de maan maken. Dat wil zeggen, we schieten vanaf de aarde een kogel naar de maan. Laten we beginnen met de invloed van de atmosfeer buiten beschouwing te laten.
Het verloop hangt nu of van de snelheid waarmee de kogel de kanonsloop verlaat. De kogel heeft een snelheid van de aarde af, maar door de zwaartekracht een versnelling in de richting van de aarde. Dat komt dus overeen met een vertraging van de aarde af. De snelheid van de kogel neemt dus af, totdat ze op een gegeven moment stilstaat. Normaal zou de kogel nu weer terugvallen naar de aarde. Een verschijnsel dat we maar al te goed kennen (of heeft iemand weleens een bal zover weggegooid dat hij nooit meer terugkwam?). Hebben we echter de snelheid zo hoog gekozen, dat hij al van tevoren het punt van nulzwaartekracht tussen de aarde en de maan heeft gepasseerd, dan wordt de kogel verder versneld in de richting van het maanoppervlak en uiteindelijk zal hij de maan voor met een zekere snelheid bereiken. Wat we goed moeten inzien is, dat er op ons ruimtevaartuig slechte krachten werken t.g.v. de hemellichamen en dat slechts deze in staat zijn om onze snelheid te veranderen, afgezien natuurlijk van eigen stuwmotoren aan boord van het ruimtevaartuig. Zonder deze invloeden zou een ruimtevaartuig eeuwig met een constante snelheid verder reizen, ongeacht de grootte van de snelheid. Om van de aarde weg te komen hebben we altijd een zekere aandrijving nodig om de zwaartekracht te overwinnen. De oplossing zoals gevonden voor de kogel, is voor ons mensen wel wat bezwaarlijk. In de korte tijd, dat we ons in de loop bevinden, moeten we versneld worden tot een snelheid van zo ongeveer 11,2 km/sec, d.i. 40.000 km/uur. En dat is wel een beetje teveel gevraagd van ons zwakke gestel. Het is misschien wèl een oplossing om een vracht buiten de aantrekkende kracht van de aarde te brengen. Maar voor ruimtevaartuigen, bestemd om mensen het oppervlak te doen verlaten, is beslist iets anders nodig. Een soort vliegtuig met een schroef zal niet voldoen, omdat de dichtheid van de atmosfeer al te gauw zo gering wordt dat een propeller daar geen vat meer op heeft. Een oplossing, en tevens de enige, is de raketmotorvoortstuwing zoals die ook al is toegepast bij straalvliegtuigen. Alleen nog met dit verschil, dat bij straalvliegtuigen nog gebruik wordt gemaakt van de omringende lucht om de verbranding mogelijk te maken en bij een ruimtevaartuig missen we deze lucht en moeten we er dus iets anders op zien te vinden. En hiermee zijn we beland bij punt
4. De raketmotor.
Deze voortstuwingsmethode berust op de natuurkundige wet, die populair luidt: actie = reactie. Op een enigszins andere manier luidt deze wet, dat een systeem van lichamen een totale impuls hebben (impuls is het produkt van massa en snelheid van de delen van het systeem), die constant is en blijft. Hierbij is ook de richting van de snelheid belangrijk. Het betekent dit: Als ik op een wagentje, dat wrijvingsloos kan rijden, ga staan en ik heb samen met dat wagentje een massa van 50 kg, en als ik dan verder een gewicht in mijn handen krijg van 50 kg, dat ik wegstoot met een snelheid van 5 m/sec, dat ik dan zelf ook met een snelheid van 5 m/sec, maar nu in de tegengestelde richting, ga rijden.
Het gewicht met een massa van 50 kg geef ik namelijk een impuls van 50 x 5 kgm/sec. Ik vorm met het wagentje en het gewicht een systeem. Binnen dit systeem blijft de totale impuls constant en in dit geval gelijk aan nul. Als ik aan het gewicht een impuls van 50 x 5 kgm/sec geef, dan ontvang ik daarvoor in de plaats een impuls van - 50 x 5 kgm/sec, zodat de som nul blijft. Dit betekent dat ik, omdat ik ook een massa van 50 kg ben, met de snelheid - 5 m/sec ga bewegen, dat is en snelheid van 5 m/sec in tegengestelde richting als waarin het gewicht zich beweegt. Op deze manier kan ik dus mijzelf voortstuwen, onafhankelijk van iets waartegen ik me zou moeten afzetten. Ditzelfde spelletje had ik op gelijke manier kunnen doen in de vrije ruimte. Bovendien had ik dan geen wagentje nodig, maar misschien een ruimtekostuum. Een raket werkt volgens hetzelfde principe. Ze werpt een zekere massa weg met een bepaalde snelheid en ontvangt daarvoor in de plaats een snelheid in tegenovergestelde richting. Bij een raket wordt in een verbrandingskamer een brandstof verbrand. Deze brandstof kan vast zijn of vloeibaar en de benodigde zuurstof wordt tevens in vloeibare vorm meegenomen. Door de verbranding ontstaan gassen met hoge temperaturen, die een veel groter volume bezitten dan de onverbrande brandstof en zuurstof, zodat deze gassen zich een uitweg banen en wel door een opening in de verbrandingskamer. Dit is de achterkant van de raket. Hier verlaat dus een stroom van hete gassen de raket, die dus zelf als reactie omhooggedreven wordt en versneld wordt. De versnelling kan berekend worden uit K = m x a of a = K/m. Hierin is dus nu K de voortstuwingskracht van de raketmotor en m de massa van de raket, terwijl a de optredende versnelling is. Van deze versnelling moet de versnelling t.g.v. de zwaartekracht worden afgetrokken, omdat deze juist in tegengestelde richting werkt. De berekening wordt bemoeilijkt door het feit dat de massa m van de raket geen constante waarde is. De raket werpt nl. een stroom van massa uit en wordt dus steeds lichter. Dit is ook anders te zeggen: we moeten de raket enorm zwaar maken door de brandstof, die we noodzakelijkerwijze moeten meenemen, althans gedurende het eerste gedeelte van de reis. Vanzelfsprekend kunnen we dit allemaal toch precies uitrekenen en we komen dan tot de volgende gegevens:
Stel, dat de gasstroom de raket verlaat met een snelheid van c m/sec. Verder noemen we de verhouding van het totale startgewicht tot het gewicht als alle brandstof verbruikt is r. Willen we nu met onze raket ook een snelheid bereiken van c m/sec, dus als alle brandstof op is, dan moet r al een waarde hebben van 2,7. Dat wil zeggen, dat we 1,7 maal zoveel brandstof moeten meenemen als het gewicht van de raket bedraagt. Om tot een snelheid van 2 c te komen moet r al oplopen tot 7,4 en voor een snelheid van 3c tot 20. Dat gaat dus snel omhoog. Nu is het in de praktijk bovendien niet mogelijk om de waarde voor r onbeperkt op te voeren. Voor de brandstof en zuurstof zijn tanks nodig. En het geheel moet aan bepaalde sterkte-voorwaarden voldoen, zodat bij een bepaalde hoeveelheid brandstof een minimum gewicht aan begeleidende attributen behoort, die samen de raket vormen. Het blijkt dat r in de praktijk ongeveer de waarde 5 kan bereiken. Om tot een hoge eindsnelheid van de raket te komen moet dus de uitlaatsnelheid van de gassen zo hoog mogelijk gemaakt worden. Met chemische brandstoffen is echter niet te verwachten, dat we veel hoger komen voor de snelheid c van 2000 m/sec. Dit resulteert bij een waarde voor de faktor r in een eindsnelheid van 3500 m/sec. Dit zou dan tevens het maximum zijn van de bereikbare snelheden met een raket. Dat is ook zo, maar gelukkig is er een oplossing gevonden in de meertrapsraket. Hierbij worden meerdere raketten domweg op elkaar gezet. De onderste raket brengt het geheel omhoog en bereikt daarmee tevens een snelheid van bv. 3000 m/sec. Dan wordt de onderste raket afgeworpen, wat een grote gewichtsvermindering voor de rest betekent, en de tweede raket komt in actie. Deze zorgt voor de tweede 3000 m/sec, zodat dan reeds 6 km/sec bereikt wordt. Het derde kan de snelheid opvoeren tot 9 km/sec en zo door. Het geheim ligt natuurlijk hierin, dat telkens een grote massa afgeworpen wordt, die dan niet verder versneld behoeft te worden.
Wel worden uiteraard de opvolgende raketten kleiner, anders krijgt de onderste raket ze nooit op gang en wel heeft elke opvolgende trap slechts ongeveer l/20 van het gewicht van de vorige trap. Moet de laatste trap bv. 1 ton wegen, dan wordt de eerste trap bij een drietrapsraket al 400 ton. En dat is geen kleinigheid. Van de laatste trap van 1 ton is dan nog slechts een gering gedeelte beschikbaar voor nuttige last. Het komt er dus op neer, dat voor een kleine nuttige last al een enorme raket nodig is. Als er dan nog sprake is van verkeer heen en weer, dus dat we ook nog ergens anders opnieuw moeten starten en dat we bij de aarde teruggekomen ook weer moeten landen en daarvoor afremmen, dan is het wel duidelijk, dat er hier nog veel moeilijkheden opgelost moeten worden en dat we er nog lang niet zijn.
De dwang om mijn belofte na te komen heeft het deze keer wel wat lang gemaakt, zonder dat ik ook maar volledig ben geweest.
Er valt hierover nog veel meer te vertellen, maar dat zullen we dan toch bewaren voor de volgende keer.

A. Kastelein.

Wat is een Hobby Club? In de eerste plaats, zoals de naam trouwens al aangeeft, een club van jongen mensen met hobbies, een club, waar alle hobbies beoefend kunnen worden. Verder is een Hobby Club, zoals Leonard de Vries het genoemd heeft:
"een jeugdgemeenschap-wekplaats op democratische grondslag en op coöperatievee grondslag en tevens een cultuur- en ontspanningscentrum, waar voor alle jonge mensen alle mogelijkheden zijn om zich in hun vrije tijd naar eigen keuze te ontwikkelen en naar eigen talent en ambitie "creatief" werkzaam te zijn". Welke hobbies zoal in een Hobby Club beoefend kunnen worden? Allerlei technische hobbies, zoals radio, elektriciteit, modelbouw van schepen, vliegtuigen en treinen, timmeren, metaalbewerking; en nog allerlei andere vormen van technisch knutselen. Dan de natuurwetenschappelijke hobbies, zoals scheikunde, natuurkunde, biologie met zijn vele mogelijkheden en sterrenkunde. Verder de meer artistieke hobbies, fotografie, film, tekenen, schilderen, boetseren, houtsnijden, mode, muziek, toneel en de vele vormen van kunstnijverheid en pottenbakken. Je ziet, het aantal mogelijkheden is zó groot, dat niemand kan zeggen dat hij niet weet wat hij met zijn vrije tijd moet doen. Er is keus genoeg!
Het is fijn om een hobby te hebben, een eigen liefhebberij, die niemand je heeft opgedrongen en waarin je helemaal jezelf kunt zijn. Zelf iets te ontwerpen, zelf iets te maken, dat is iets heerlijks! En wat misschien nog mooier is: je door je hobby op 't een of andere gebied zo te bekwamen, dat je later van je hobby je beroep kunt maken.
Maar voor dit alles is nodig dat je je hobby serieus beoefent en daarvoor moet je over de nodige middelen beschikken: gereedschap, instrumenten, materialen, onderdelen en boeken om steeds verder te kunnen gaan in je hobby. Bovendien, als je niet verder kunt, moet je de mogelijkheid hebben om deskundigen te raadplegen. En….. je hebt er een goede werkruimte voor nodig!
Maar waar haal je dat geld vandaan om dat alles te kopen? Waar haal je deskundige hulp vandaan? En waar vind je een goede werkplaats?
Het antwoord op dit alles is de Hobby Club, omdat je daar niet alleen staat, maar samenwerkt met anderen. In de Hobby Club leggen we botje bij botje, niet alleen in financieel opzicht, maar ook wat betreft onderdelen, gereedschap, materialen en boeken. Ja, dat botje bij botje leggen geldt zelfs voor ervaring, kennis en kundigheid. Wat de één niet kan of begrijpt, weet of begrijpt de ander; wat de één niet kan, kan de ander; op elk gebied proberen we elkaar aan te vullen en te helpen. En wat voor de enkeling onbereikbaar is, kunnen we door samen te werken! Zo in je eentje kun je met je hobby een heel eind komen, maar vroeger of later loop je waarschijnlijk vast. De radio-enthousiast komt tot zulke ingewikkelde toestellen, dat hij meetinstrumenten nodig heeft om ze af te regelen. Voor een jongensbeurs zijn goede meetinstrumenten onbetaalbaar. De jongen met een hobby voor fotografie wil zelf gaan vergroten. Waar haalt hij het geld voor een vergrotingsapparaat vandaan? Een behoorlijke timmeruitrusting, een draaibank, voldoende glaswerk en een balans voor interessante scheikunde proeven, een microscoop voor biologie - het is voor de enkeling onbereikbaar.
En dan zijn er jonge mensen, die zo dolgraag een grote modelspoorweginstallatie zouden bouwen, die plannen hebben voor elektronische afstandbesturing van modelvliegtuigen, die gramofoonplaten, geluidsbanden of films willen opnemen, en zo zijn er nog veel meer verlangens, die onbereikbaar zijn omdat de kosten voor de enkeling te hoog zijn en de verwezenlijking van dergelijke objecten zo'n grote technische ervaring op velerlei gebied vereist.
Samenwerking is het toverwoord, dat dit alles mogelijk maakt. Tien of twintig jongens kunnen samen wel een goed meetinstrument bekostigen en construeren; een aantal fotoliefhebbers ziet best kans samen een vergrotingsapparaat te kopen of zelf te bouwen. Modelspoorwegen, elektronische afstandbesturing, films en geluid opnemen - door samenwerking kan dit alles. Maar ook de beginneling heeft niets anders dan voordeel van een dergelijke samenwerking. Hij kan beginnen met de onderdelen die de gevorderde niet meer gebruikt, - wat hij niet weet, kan hij die gevorderde vragen. Als je je in je eentje een technisch handboek moet aanschaffen kost je dat misschien zes gulden; koop je dat boek met zijn dertigen dan kost het ieder maar twintig cent, terwijl toch allen dat boek kunnen raadplegen. Het si allemaal zo klaar als een klontje en toch: dit wordt zo zelden in praktijk gebracht!
Zo kunnen er nog tientallen andere voorbeelden gegeven worden. Dus het doel van de Hobby Club is: jonge mensen met dezelfde of verschillende hobbies in contact met elkaar te brenegen en tot onderling begrip en daardoor tot vriendschap te brengen! (Ontleend aan een artikel van Leonard de Vries, in "Hobby Club", 1e jaargang no 5: november 1949).

Zoals iedere vereniging heeft ook de Hobby Club een eigen geschiedenis. Deze geschiedenis wordt niet alleen in het geheugen van de leden opgeborgen, maar ook nog in een logboek opgetekend. De bedoeling van het logboek was (en is nog steeds) dat de op de clubavonden (middagen) aanwezig zijnde leden hun handtekening in dit boek plaatsten. Bovendien stond het aan elkeen vrij om een eigen visie op de werkzaamheden van de clubbijeenkomst te geven en deze ook in het logboek te vereeuwigen. In vele gevallen blijkt eruit hoe goed wel de onderlinge verstandhouding was (en nog is).
De gedachte tot het bijhouden van een logboek is reeds zeer vroeg ontstaan en werd op 25 november 1950 al in daden omgezet. Toen plaatsten de leden voor het eerst namelijk hun handtekening in een logboek. Na enige tijd echter liet men het logboek aan zijn lot over. Dit kwam misschien wel omdat er hard gewerkt moest worden aan de inrichting van het lokaal bijvoorbeeld.
Zodoende werd dit logboek gelaten voor wat het was totdat op een gegeven moment een "goede geest" er weer toe kwam om het in gebruik te nemen. Dat gebeurde op een woensdagmiddag, 6 mei 1953. Op deze middag is de H.C. open geweest om het gebouw goed schoon te maken. Er is met goed gevolg hard gewerkt aldus het logboek. Omstreeks deze tijd kende de Hobby Club nog afdelingen als Metaalbewerking, Elektriciteit en Timmeren. Dit blijkt onder meer uit het korte verslag van zaterdag, 30 mei:
Er is gewerkt aan de elektriciteitsleiding, die nu bijna gereed is. Ook is er een gereedschapsrek gemaakt voor de afdeling Metaalbewerking. Verder is er aan diverse radio's gewerkt. Deze afdelingen zijn thans niet meer aanwezig op de H.C. Zij zijn ook niet meer nodig, want op de Hobby Club worden de leden veelzijdig ontwikkeld door de verschillende hobbies die er worden beoefend.
Dat omstreeks deze tijd al moeite werd gedaan om de Hobby Club meer bekendheid naar buiten te geven, wordt duidelijk als we het artikel van 10 juni lezen:
Vanavond is er geweldig veel gebeurd, evenals vele andere avonden. Gijs kwam met een groot pak gestencilde blaadjes binnenzeulen. Die blaadjes zullen morgen en overmorgen uitgedeeld worden aan de Dordtse jongelui. De bedoeling is deze jongelui ook enthousiast te maken voor de Hobby Club. Actieve leden zijn er nooit te veel. Anthon kreeg al een visioen: de Vleeshouwersstraat afgezet door Bereden Politie om de jongelui in bedwang te houden. Tonny heeft vanavond geleerd wat "Watts" zijn, en waarom een spanningzoeker maar op één aansluiting van het stopcontact wil branden. Andries kwam binnen met de radio van Henk. Dit leuke radiootje genereerde slechts zielig na enig gemier met allerlei draadjes en batterijen.
Wijze hoofden bogen erover. Wijze hoofden werden mistroostig geschud. Totdat het wijste hoofd klanken uitstootte, waaruit de omstanders begrepen; dat Adri opmerkte de uitgangstrafo te.... En o wonder, muziek drong zich op aan onze oren. Het is toch eigenlijk fantastisch, die eigengebouwde radio's.
Rest mij nog te vertellen, dat Anthon en Piet een achterlicht hebben gerepareerd. Aan het eind van dit karwei kon met recht gezegd worden, dat de aanhouder wint. Maar nu moet ik werkelijk ophouden. Er is weliswaar nog veel meer gebeurd, maar alles te weten maakt niet gelukkig.
Zaterdag, 20 juni was de dag waarop de herkenningsmelodie van de H.C. werd gekozen.
Jan heeft vanavond de toestellen van twee jongens onder handen genomen en met goed gevolg. Verder heeft hij verschillende interessante dingen aan de nieuwelingen verteld omtrent de oscillograaf. Ook de pick-up werd niet vergeten. Kampioen der songs werd de "Posthoorngalop".
Tot nu toe heeft afde1ing Radio in het middelpunt der belangstelling gestaan en dit zou wel eens te veel de indruk wekken dat dit de enige afdeling is. Deze indruk wordt gewijzigd door een artikeltje van 20 augustus:
Vanavond is er door afdeling Modelbouw een bespreking gehouden, waarbij beslist werd, dat een overkapping bij het station gemaakt zal worden die 1,20 lang zal zijn en uit drie losse delen zal bestaan van elk dus 40 cm lengte. De zijwanden zullen dicht zijn. het station zal gebouwd worden op een plaat multiplex van 1300 x 700 mm.
Alle gebouwen zullen los opgezet worden zodat het geheel op eenvoudige wijze te transporteren is.
We gaan nu een hele sprong maken, want we gaan nu van 20 augustus 1953 naar 21 april 1954. Op die dag kon de afdeling Modelbouw zich verheugen op enkele mooie tafels:
Hedenmiddag is er hard gewerkt en misschien nog harder (letterlijk) plaatjes gedraaid. De stemming was best en de eerste twee tafels voor de Modelspoorwegen zijn keurig klaar gekomen. Bovendien is de nieuwe "Posthoorngalop" ingewijd.
Daarna volgen er enige weken lang geen artikeltjes maar tot we bij 13 mei de reden hiervan lezen:
Wegens de zeer drukke werkzaamheden i.v.m. De Gouden Schakel werden er geen verslagen geschreven. Ter nadere verduidelijking dient hierbij opgemerkt te worden, dat de Gouden Schakel de naam van een tentoonstelling was.
Na deze storm blijkt in het schrijven een luwte te komen, althans wat betreft het aantal artikeltjes. Slechts zeer korte artikeltjes moesten het geweten in slaap sussen. Hier bleek echter maar weer overduidelijk, dat tegen het geweten niet te strijden valt en zeker niet voor de mens. Langzamerhand worden evenwel de verslagen van groter lengte en komen we terecht bij 10 april 1955:
Vanaf donderdag is er iedere dag in een byzonder vlot tempo gewerkt aan studio en de Doka en het werk is zodanig opgeschoten, dat gezegd kan worden, dat nu zelfs de voltooiïng van het onroerende gedeelte in zicht is.
Van de Doka en de lichtsluis is het geraamte gereed en slechts enkele wanden en de beide deuren moeten nog met board bedekt worden. Voor de studio is een schitterende trap bijna gereed, terwijl een deur nog in elkaar gezet moet worden.
Verder is er deze avond hard gewerkt door de Radio-afdeling.
Op 17 december wordt er in het logboek gewag gemaakt van noeste arbeid ten gevolge van een komende propaganda week. Er wordt hard gewerkt aan de studio's en de Doka, terwijl ook duchtig de bezems en vegers worden gehanteerd.
Eindelijk is de dag van opening aangebroken: 3 januari 1956. Ofschoon van deze belangrijke dag geen verslag is opgenomen in het logboek kunnen we uit het enorme aantal handtekeningen wel opmaken hoe enigszins het resultaat is geweest. Er sieren namelijk liefst 67 handtekeningen enkele bladzijden van dit boek. Ook de woensdag, donderdag en vrijdag en zaterdag grepen velen naar de pen om hun handtekening te plaatsen.
Bij woensdagavond 11 januari lezen we een lang artikel, waarin de tentoonstelling en de resultaten ervan besproken worden. Het was tijdens de propaganda week een gezellige drukte en het is jammer dat niet alle bezoekers hun handtekening in dit boek hebben geplaatst. De organisatie was (uiteraard) een moeilijk punt, mar het ging steeds beter. De resultaten zullen nog moeten blijken, maar vast staat wel, dat we er donateurs en (voorlopige) leden mee gewonnen hebben.
Deze eerste clubavond na de tentoonstelling viel reusachtig mee. De opkomst was zeker niet slecht en een rekord voor de laatste tijd en daarenboven werd er door iedereen zeer hard gewerkt en veel gepresteerd. Bijna alle nieuwe leden hadden dadelijk al hun werk, hetgeen een groot succes genoemd mag worden. Door de nieuwe radioleden werden onder andere op de eerste avond al een kristalontvanger klaar gemaakt benevens een éénlamper. Anderen hebben zich zeer verdienstelijk gemaakt met het opruimen en de tafels weer op hun oorspronkelijke plaats te zetten. Verder werd het hout en het board uitgezocht en een aanvang gemaakt met de bouw van een tafel voor de artistieke afdeling, doordat enkele leden namelijk planken begonnen uit te zoeken en door midden (op maat) te zagen.
Hans heeft zich weer verdienstelijk gemaakt door de verwarming van de studio's, welke door overbelasting gesneuveld was te herstellen. Hij doet het nu weer prima en is via de schakelaar op het schakelbord op 125 volt aangesloten. Arend heeft onschatbare diensten bewezen als instructeur van afdeling Radio, ook door een zeer persoonlijk contact direct al aan te knopen met enkele andere (nieuwe) leden. Ondergetekende heeft zich inmiddels o.a. beziggehouden met organisatie en het afhandelen van de correspondentie en is àl met al weer optimistisch en tevreden gestemd en spreekt hierbij de hoop uit, dat de geest nog lang zal blijven zoals zij vanavond was.
Enige tijd later zien we een wel zeer contrasterend artikel (wat betreft de lengte):
De technische Verkenners Club van Antwerpen dankt hartelijk de Hobby Club Dordrecht voor het toegestane bezoek.
Dit enkele zinnetje, dat geschreven werd op 21 mei 1956, duidt dus op een bezoek van buitenlandse enhousiastelingen voor de techniek aan onze vereniging.
In deze tijd schijnt er verder niets bijzonders te geschieden, maar dit is slechts uiterlijke schijn (en die bedriegt vaak), want bij 25 juli 1956 lezen we plotseling:
De tentoonstelling "De mens en zijn Hobby" zit er weer op. Het Hobby Club werk kan weer gewoon gaan draaien. Gewoon wil zeggen met dezelfde activiteit en met nog meer enthousiasme dan op de tentoonstelling!
Voor vele lezers zullen we nu ongeveer bekende tijden gaan optreden en omdat de titel van dit artikel zelf al aanduidt behandelt deze story de logboekgeschiedenis. Aangezien nu onder geschiedenis verstaan wordt "iets wat geschied is" en dit "geschiede" dus van vroeger moet verhalen zou men zich kunnen afvragen, waar de geschiedenis voor ons ophoudt. Hierover zou men misschien kunnen gaan twisten, maar dit zal ik niet doen en beschouw hier de grens.
Ik hoop, dat de volgende logboeken de oude zullen gaan overtreffen, zowel wat betreft de lengte van de artikeltjes als wat betreft élan, waarmee geschreven wordt.

A.F.

______________________________________________________

NIEUWS VAN DE AFDELINGEN.

Afdeling Radio is sinds korte tijd weer flink op dreef.Er zijn enkele leden begonnen aan nieuwe meetinstrumenten t.w. een toongenerator die bijna klaar is, een "versterkervoltmeter" die eveneens bijna gereed is en de universele oscillograaf voor de Studio's. Al deze meetinstrumenten zullen ongetwijfeld hun nut gaan bewijzen. Voorts kunnen de diverse leden hun radiootjes en versterkers bouwen met als "service" de getheoretiseerde kant, die er nu eenmaal aan vast behoort te zitten, d.w.z. dat er les wordt gegeven.
De grootste H.C.-versterker is thans definitief gereed gekomen en bij de test bleek zij ongeveer 60 Watt binnen de vervormingsgrenzen te kunnen leveren.
De muziekcursus van Ru Sevenhuysen wordt zoals ieder jaar opgeluisterd met muziek. Afdeling Radio zorgt voor de geluidsinstallatie en de pick-up.
De Studio's zijn weer in ere hersteld en in de meetstudio kunnen in de toekomst de gebouwde apparaten worden getest.
Als laatste aanwinst van materiaal valt hier nog te vermelden dat er twee prachtige soldeerbouten zijn aangeschaft.

Afdeling Fotografie:
Deze afdeling, die in het begin van dit jaar zo zeer op zich liet wachten, toont de laatste tijd weer wat zij waard is. Er zijn zeer veel foto's van het kamp afgedrukt (uiteraard ook de films ervan ontwikkeld) en als deze Hobby Puk verschijnt dan zullen al deze foto's aan een bord hangen te prijken, opdat iedereen zijn (of haar !) bestelling kan plaatsen.
De binnenste deur van de Doka, welke tijdens een oneerlijk "gevecht" was gesneuveld is vernieuwd.

Afdeling Scheikunde:
Deze afdeling toont zich de laatste tijd niet zo actief als misschien wel gewenst zou zijn (mits de grenzen van verantwoordelijkheid niet overschreden worden). Wèl zijn de tafels en de kasten opgeruimd, maar veel proeven zijn er niet genomen. Dit is waarschijnlijk te wijten aan het feit, dat een aantal deze leden een hoger studie-niveau hebben opgezocht en dientengevolge niet meer over zoveel vrije tijd beschikken.
Overigens ligt het in de bedoeling om weer proeven op grote schaal te gaan verrichten.

Afdeling Modelbouw:
Afdeling Modelbouw, die lange tijd een wel zeer sluimerend bestaan heeft geleid, is onlangs weer de sluimer ontworsteld. Er werd begonnen met bouwen van een vliegtuig, dat misschien met radiobesturing zal worden uitgerust en een boot, welke reeds de grondvormen bezat , wordt afgebouwd en eventueel worden verbeterd. Ook hier zijn er plannen om haar uit te rusten met radio-besturing. De plannen zullen niet alleen door afdeling Modelbouw worden uitgewerkt, want afdeling Radio zal er ook aan meewerken (i.v.m. de radio-besturing).
De leden van deze afdeling vinden het alleen zo jammer, dat er slechts weinigen zijn, die voor hun hobby interesse hebben en hopen, dat er spoedig meer leden zullen komen.

Afdeling Artistieke Hobbies:
Deze afdeling, welke zoals bekend mag worden verondersteld geheel uit meisjesleden bestaat, heeft zich de laatste tijd op allerlei terreinen begeven. Er wordt voornamelijk getekend, maar ook doen de leden aan linoleumsnijden en houtsnijden. Binnenkort hopen de leden weer eens een aantal tekeningen te kunnen tonen (en misschien zelfs de wanden van het lokaal er mee te tooien).

Afdeling Toneel:
Deze afdeling, die enige tijd terug is opgericht door een zo groot aantal uiterst enthousiaste leden, vraagt zich vol verwondering af, waarom er tot nog toe geen activiteiten zijn ontplooid. Misschien ligt de oorzaak in de verminderde belangstelling, maar dit is niet waarschijnlijk gezien het oorspronkelijke enthousiasme. Daarom is de wens van vele leden: Laten we er eens iets aan doen; laten we eens een toneelstuk opvoeren! De tijd zal wel leren of deze wens bewaarheid zal worden of niet.

Groep X:
Deze groep, die in de Studio's haar officiële zetel heeft, is sinds enige tijd uitgebreid met vier leden om het lage ledental op wat hoger peil te brengen.
Deze leden, en ook de andere,hebben getoond iets waard te zijn. Zij hebben de Studio's weer voor het normale doel ingericht: De meetstudio bevat alle meetinstrumenten. Er zijn een groot aantal mooie nieuwe meetsnoertjes gemaakt, die netjes aan een rek hangen. Verder wordt er aan de universele oscillograaf gewerkt (met drie beeldbuizen!).
Er wordt les gegeven in de werking van diverse apparaten en dat liefst op een schoolbord, dat aan de wand is bevestigd en reeds vele diensten heeft bewezen.
De geluidsstudio wordt ook als zodanig gebruikt. Er zijn twee platenspelers en een universele versterker opgesteld, welke de Hobby Club van muziek kunnen voorzien.
Ook het logboek van Groep X is weer in gebruik genomen.

Tekenen is schrijven. Je beweegt je pen over het papier en schrijft een tekening, zegt een heel bekend (en heel goed) tekenaar. En werkelijk, als je zijn tekeningen bekijkt zie je allemaal haaltjes, ronde lijnen en lussen, die juist alle beweging en volume in zich hebben om een sprankelend werk te vormen.
Het leven kriebelt in elk onderdeel ervan, vol speelsheid en humor of vol ernst, maar toch altijd met een neiging naar het goede. Dat komt denk ik, omdat één van de fijnste dingen van tekenen is, dat het zo plezierig gaat.
Wat een genot is het b.v., zomaar met wascokrijt, allerlei kleuren door elkaar te krassen, om er dan plotseling iets in te zien, figuren of wat dan ook, waarop je door kunt gaan. De gekste voorstellingen ontstaan, met vaak heel fraaie kleuren.
Wij op de Hobby Club hebben nòg iets om blij mee te zijn: we kunnen tekenen wàt en hoe we willen, omdat het onze hobby is en we voor ons plezier werken. Niemand die ons op de vingers tikt om te zeggen: "Hé, dat is fout, dat moet niet zo". Ergens is dat fijn, vind ik. Maar van onze kant moeten we er toch voor zorgen, dat we critisch zijn op het werk en proberen de hobby verder te ontwikkelen.
Vaak zit je in een tekening "vast". Je maakt een portretje van een meisje en merkt, dat er iets in is of eraan ontbreekt, waardoor het niet lijkt. Je zoekt en kijkt, zet er lijnen bij en haalt eraf, maar neen, de fout blijft. Dan vraag je het aan een "collega". Heel dikwijls zal die wel de fout kunnen wijzen, maar niet kunnen zeggen, wat je moet doen om hem weg te krijgen. Dat is weer het gebrek aan techniek. We zouden eigenlijk intenser moeten werken. Als je goed wilt tekenen, moet je eerst "leren zien". Bewust kijken en zo het verschil zien tussen dit en dat, de een en de ander. Het karakter ontdekken en de verhoudingen en vormen van het onderwerp.
Stel, dat we elkáár tekenen. Voor we beginnen, eerst het model zien!
Dan enige keren met de wijsvinger in de ruimte de omtrekken nagaan en het geheel in één blik proberen te vangen.

Nu nog eens hetzelfde met de wijsvinger, maar met de ogen gesloten. 't Is net, of de lijnen dan al ergens in je hoofd zitten en zo is het ook, want als je nu tekent merk je, dat het lekker vlot gaat. Of zou het niet leuk zijn weer eens iets in waterverf op te zetten, een stilleven bv.? Wat oude pullen zijn vast wel ergens te vinden. Jammer genoeg is er nog altijd gebrek aan materiaal. Het meedragen iedere week van verfdozen, paletten, penselen enz. is niet bepaald aantrekkelijk. Maar misschien komt daar nog wel vernadering in. In iedere geval redden we het wel en we komen iedere week (bijna) allemaal terug om ons te wijden aan onze "artistieke hobbies". En is dat waarlijk niet een goed teken?

C.T.

Tips voor amateurfotografen

Wanneer de vakantie is aangebroken haast iedereen zich om de koffers te pakken teneinde van de vrijheid te gaan genieten, hetzij in het bos, dan wel op het strand of in de bergen.
Als toeschouwer aan de grote wegen ziet men dan zwaar beladen fietsen voorbijtrekken. De berijders van deze voertuigen ziet men dan vaak nog "showen" met een mooi leren tasje, waarin een fototoestel zit opgeborgen en dat achteloos om de hals hangt alsof het voor deze mensen geen kunst is om foto's te maken. (Natuurlijk is het geen kunst om foto's te maken, maar het gaat erom goede te maken). Als ons later echter de foto's worden getoond, blijkt echter maar al te vaak, dat zelfs de meest algemene regels voor het fotograferen thuis worden gelaten. Daarom zullen we hier de belangrijkste regels behandelen om aldus tot betere resultaten te komen.
1. Wat moet er op een foto?
We zijn in het algemeen niet gebonden om foto's over bepaalde onderwerpen te maken. Integendeel, we kunnen alles fotograferen wat we wensen. Of we nu een kiekje van oom en tante willen maken of van een groepje koeien, het doet er niet toe. (Ik wil hiermee niet zeggen dat er tussen oom en tante en een koe weinig verschil is).
Maar hebben we eenmaal een onderwerp gekozen om te fotograferen dan moet dit onderwerp ook het voornaamste op de foto zijn. Laten we als voorbeeld oom en tante nemen.
Zetten we oom en tante voor een wolkenkrabber en proberen we dan nog zoveel mogelijk van deze wolkenkrabber op de foto te krijgen? Nee, dat zeker niet! Want, als we dan later de foto bekijken moeten we eerst even zoeken voor we ze zien, een soort zoekplaatje dus.We moeten ons beperken tot het onderwerp en wat daarmee direct verband houdt. Goed was geweest, als we oom en tante, staande in hun tuintje zo groot mogelijk op de foto hadden gekregen zonder dat er lichaamsdelen buiten de foto steken.
We zullen nog een voorbeeld nemen.
Jan, een matroos, willen we op het gevoelige papier vastleggen. Nu zetten we Jan niet op een paadje in een landschap met wat bomen ernaast en een heerlijk zonnetje erboven, want om dat landschap gaat het niet. Bovendien behoort een matroos niet op het land thuis. We plaatsen Jan dus maar voor zijn schip. Dat schip moet zodanig op de foto komen, dat, als we de foto aan een vriend laten zien, deze vriend niet zegt: "Wat een prachtig schip is dat!" De boeg met de naam van het schip is voldoende, want nogmaals het gaat om Jan en niet om het schip.
2. De lichtinval.
Fotograferen betekent eigenlijk tekenen of schrijven met licht. Evenals bij een tekening is bij de foto het contrast (dus de tegenstelling tussen licht en donker) van heel veel belang. Dit is zeer eenvoudig in te zien, als we bedenken, dat we toch ook niet met wit potlood op wit papier schrijven omdat we dan niets zien. Hoe donkerder het potlood, waarmee we schrijven des te beter kunnen we lezen wat er geschreven is. Zo is het bij fotografie ook ongeveer. Alleen wordt bij een foto het contrast bepaald door de schaduw. Die schaduw geeft zo'n foto "diepte". Veel schaduw krijgen we bij opkomende en ondergaande zon. Hierbij moeten we wel rekening houden met de stand van de zon ten opzichte van ons. Als we bv. met de zon achter ons een auto (voor ons) willen fotograferen dan zien we immers de schaduw van die auto niet (wèl onze eigen schaduw!) en dientengevolge zal er geen dieptewerking optreden. Het beste is een opname met zij-of tegenlicht, want dan zien we de schaduwen van de auto juist wel. Dit geldt ook voor foto's binnenshuis met kunstlicht. We maken dan het liefst gebruik van twee lampen, waarvan de eerste zijtegen, van boven op het onderwerp schijnt en de tweede aan de andere kant van de camera en tamelijk dicht bij het onderwerp is opgesteld. (Dit laatste is voor de schaduw en dus voor "dieptewerking").

Vanzelfsprekend is het resultaat van de foto's, en zeker die binnenshuis, in het begin nog niet zo geweldig, want bij fotografie spelen ervaring en interesse ook een grote rol.
3. Indeling van de foto.
Bij de indeling van de foto wordt vaak gesmokkeld als het erom gaat een goede foto maken.
Bij het fotograferen is de grootste zonde die kan worden begaan, wel het in het midden plaatsen van datgene waarom het gaat. Waar dit zogenaamde hoofdmotief dan moet liggen? Dat is tamelijk eenvoudig te bepalen. Deel de foto (in gedachten) in negen gelijke stukjes. Er ontstaan dan 4 snijpunten en op deze snijpunten kan nu het hoofdmotief komen. Dit houdt dus in, dat de horizon niet in het midden van de foto moet worden gekozen, maar op ongeveer 1/3 van boven of van onder.
Iets moeilijker wordt het, als we aan de eis willen voldoen, dat onze blik op de foto gericht zal blijven en niet ernaast. Anders gezegd: Als iemand op de foto moet komen, laat hem dan niet naar iets kijken dat niet op de foto komt, want onwillekeurig vragen we ons bij het zien van de foto af waarnaar de persoon staat te kijken.
Er bestaat een mening die zegt, dat een foto pas mooi is als ze dat nòg is, wanneer we die foto op zijn kop houden.
We hebben het al over de dieptewerking gehad en weten dus, dat deze belangrijk is voor alle foto's. Ze is echter speciaal belangrijk bij landschapsfoto's. Vaak is deze dieptewerking eenvoudig te bereiken. Als we iets op de voorgrond plaatsen bv. een boomstronk, een pluk zeewier of een mooi schaduwpatroon, waarlangs we het hoofdmotief fotograferen, krijgen we dit effect. Een bekend voorbeeld zijn diepe karresporen bij een lage zonnestand.
4. De lensopening.
De lensopening kan groter of kleiner worden gemaakt (gediafragmeerd). Met een box is dit diafragmeren een eenvoudig geval, omdat zo'n toestel over het algemeen slechts één lensopening bezit. Bij andere camera's zijn evenwel meer mogelijkheden.
Als we het diafragmagetal groter maken dan wordt de opening van de lens kleiner en als gevolg hiervan wordt alles op de foto "scherp"(dieptewerking ontbreekt).
Als we de opening groter maken (dus het diafragmagetal kleiner) dan heeft dit de omgekeerde werking tengevolge, dus niet alles scherp, maar wèl dieptewerking.
Omdat de dieptewerking van zo groot belang is bij de fotografie geven we de voorkeur aan dit laatste geval.

5. Opname.
Het is belangrijk, dat tijdens de opname de camera niet wordt bewogen al werken we dan met sluitertijden van 1/25 of 1/50 seconde. (De sluitertijd is de tijd gedurende welke het gevoelige papier wordt belicht.)
Zelfs bij een sluitertijd van 1/200 seconde is het resultaat van bewegen van de camera, dat de foto onscherp wordt. Druk de sluiter dus VOORZICHTIG in. Veel succes!

A.F.

______________________________________________________

Ja, dat was een mooie geschiedenis met die duif. Ik hoop niet (of eigenlijk wel), dat er veel uren zijn zoekgeraakt met berekeningen, die tot in het oneindige doorliepen. Dat was in ieder geval niet nodig.
Eén van de ingezonden oplossingen kan ik letterlijk weergeven:
De man (dat ben ik) reist over de afstand Dordt – Delft 40/55 uur = 8/11 uur. In die tijd legt hij af: 8/11 x 88 km= 64 km.
Dat is dus tevens het goede antwoord. De inzendster van deze oplossing, een meisjeslid van de Hobby Club, nl.

Ans Stolk,
Valeriusstraat 27,

kan bij mij de titel opgeven van een prismaboekje, dat ze dan op een gegeven moment zal mogen ontvangen.
Verder dank ik alle andere inzenders voor hun inzendingen. Volhouden maar.
Het nieuwe probleem luidt als volgt: Toen we laatst op de Hobby Club zo ijverig aan het pleisteren waren geslagen, deed zich de volgende moeilijkheid voor:
We hadden een emmer met 12 liter cement. Deze 12 liter moesten we splitsen in 2 x 6 liter. We hadden echter slechts nog 2 andere emmers ter beschikking, één van 5 en één van 7 liter. Met deze 3 emmers moesten we (en konden we) deze taak volbrengen. Het resultaat was dat we zowel in de grote emmer als in de 7-liter emmer, 6 liter cement hadden.
Hoe deden we dat? Oplossingen aan:

A.S.Fok Jr.,
Houttuinen 13,
DORDRECHT.