Hobby Puk, 12e jaargang, no 3

OFFICIEEL ORGAAN VAN HOBBY CLUB DORDRECHT.

Nummer 3, 12e jaargang...…………………najaar 1968.

Adres H.C.D.: Chr. de Wetstraat 21, Dordrecht.
Gironummer: 601060 t.n.v. de penningmeester van de H.C.D.
Adviseur: Kees Ruurs.

Voorpagina
Van de redactie
Van het bestuur
H.C.-tentoonstelling in de U.S.A.
Het filter
Sowjeteconomie
Parabel, gedicht
Transistoren IV
politierit
Artistieke hobbies
Fotografie
Pech onderweg
Modelbouw
Vraaggesprek
Kleurentelevisie
Driehoek-ster transformatie
Vogelliefhebberij
Puks Peins Pagina

Redactie: Kees Snoek, Betty Pannekoek, Ans Versluys
Tekeningen: Wim Dolk, Margreet van Erven-de Waard

Hier is de derde Hobby Puk van dit jaar. Zoals je misschien hebt gezien, is de naam toch weer Hobby Puk; dit omdat de naam Hobby Scoop plagiaat zou zijn, omdat er al een blad met die naam bestaat.
Daarom hebben we besloten de naam Hobby Puk te houden, maar wel streven we naar een nieuwe omslag.
De redactie bestaat nu uit: Betty Pannekoek, Ans Versluys en ondergetekende. Margreet kon niet langer redactielid blijven, omdat zij in november in het huwelijk is getreden. Namens alle hobbyïsten danken wij haar voor haar lange medewerking als redactrice en wensen wij haar en haar echtgenoot veel voorspoed toe!
Verder zoekt de redactie naar iemand, die de advertenties wil gaan beheren in de Hobby Puk. Laat ieder die daarvoor interesse heeft zich bij mij aanmelden.
De leden van artistieke hobbies met een beetje aanleg voor tekenen worden verzocht nieuwe tekeningen te maken voor plaatsing in de Hobby Puk. Vooral tekeningen betrekking hebbende op afd. radio, fotografie en modelbouw hebben we nodig.
Graag zouden wij speciaal jullie aandacht willen vragen voor het artikeltje van Anke van Aardenne, op bladzijde vier, vijf en zes, over een hobby-tentoonstelling in de Verenigde Staten.
Veel leesplezier wenst U …

Kees Snoek, redacteur.

Sinds de laatste Hobby Puk verscheen, is er wel het een en ander gebeurd op de Hobby Club: er waren twee algemene ledenvergaderingen, het bestuur is veranderd en bestaat nu uit: Ger de Pee – voorzitter; Kees Snoek – secretaris; Ronald Paans – penningmeester; Edwin Schallig – algemeen adjunct; Jan H. Kraal – materiaaalcommissaris; Rein Kaptein – archivaris-bibliothekaris; Carla Glazer – algemene zaken.
Verder was er een excursie naar Blijdorp, een toneelopvoering op de Hobby Club en in het bejaardencentrum Vijverhof, en is een pinkster-,zomer- en herfstkamp geweest (in Rucphen, Udenhout en De Wildert) en op het ogenblik houden wij een soort regelmatige propaganda door 30 x 40–foto's van de afdelingen te verspreiden over scholen en winkels. Verder zullen we trachten advertenties en artikeltjes in schoolbladen te krijgen.
Verder zijn we voortdurend bezig de afdelingen soepel draaiend te maken. Onze bijdrage: ons bezig houden met het aantrekken van kundige instructeurs, het aanschaffen van gereedschap en materiaal, het verzinnen van plannen.
De bijdrage van de leden kan zijn: voldoende belangstelling, regelmatig op de H.C. komen en dan wat activiteit tonen.
Laten we op deze manier 1968 en volgende jaren maken tot voor de Hobby Club in alle opzichten voorspoedige jaren.

Kees Snoek, secretaris.

Temidden van de vele artikelen en niet te vergeten advertenties, die dagelijks de kranten (gemiddeld 60 pagina's per dag!) vullen, stond de aankondiging "Hobby Show in het Oakland Coliseum". Nu is het helemaal niet nodig om Gijs goed te kennen om te weten dat dit hem zeker zal interesseren; dus werd meteen de schaar gepakt om de aankondiging uit te knippen. Doe je dit niet meteen dan kost het weer minstens een kwartier om zo'n stukje in de krant terug te vinden. Inderdaad voelde Gijs er veel voor om in het weekend eens te gaan kijken.
Zondags togen we er op uit. Om met de auto door het Amerikaanse verkeer te rijden is al aardig gaan wennen. In h et begin is alles even onwennig, vooral op de autosnelwegen, waar zo'n zes banen in een richting rijden en je links en rechts wordt ingehaald.
Vanaf 's morgens tien uur zou de tentoonstelling open zijn, maar toen we om even elf uur kwamen stond er op grote borden te lezen: "uit respect voor Senator Robert Kennedy tot 12 uur gesloten". President Johnson had deze zondag tot dag van nationale rouw gemaakt. We hadden dus nog een uur de tijd en hebben ons echt niet verveeld. De show werd nl. gehouden in een grote ondergrondse tentoonstellingshal en was gelegen tussen een open stadion – vergelijkbaar met Feijenoord – en een overdekt stadion van bijna gelijke grootte.
In het open stadion werd "socker" gespeeld. Ik weet niet beter dan dat dit spel het Nederlandse voetbal is. Er liepen twee meisjes in kleurige jurkjes rond speldjes uit te delen met de naam van de thuisclub erop.
Het overdekte stadion is vrij nieuw en heel modern opgezet. Strakke betonnen lijnen, glazen wanden, hoog oplopende tribunes met zitplaatsen die werkelijk luxe fauteuils zijn met blauw en gele bekleding. Hier werden voorbereidingen getroffen voor een 's middags te spelen bokswedstrijd.
Buiten was het vrij warm, maar in de tentoonstellingsruimte was het heerlijk koel. Er waren vele hobbyïsten verzameld, meestal was door een of groepje liefhebbers een stand ingericht. Er waren zo'n honderd stands in het totaal.
Er werden tal van demonstraties gegeven, ook door kunstenaars zoals op de kunstmarkt en bij andere manifestaties.
Pottenbakken, weven, tekenen, schilderen, linoleumafdrukken maken en zelfs een kunstenaar, die zijn fantasiën in leer vastlegde.
Er was maar één radioliefhebber, die perfecte stereomuziek liet horen in een aparte, donkere ruimte en die twee lichtbakken had met verschillende kleuren lampen erin, die aan- en uitfloepten en overgingen van kleur naar kleur op de tonen van de muziek. Dat gaf een bijzonder leuk lichteffect. Fotografie had een afdeling met prima resultaten van Oaklands foto-club en ook hier waren de beste persfoto's van het dagblad Oaklands Tribune ten toon gesteld.
Er was een modelbouwer, die een vrij grote baan had opgezet waarover diverse treinstellen rondreden. De baan van de Heer Verhey is echter veel indrukwekkender en groter, jullie boffen daar toch maar mee. Los van de baan had hij echter een enorme verzameling zelfgemaakte treinstellen en wagons, wel 500. Ook zijn verzameling lokomotieven mag er zijn: 40. Deze hobby is hij twaalf jaar geleden begonnen, nadat hij een treintje voor zijn zoontje was gaan kopen! Als beroep rijdt hij door heel Amerika op een vrachtwagencombinatie, een bijzonder goed betaalde baan!
Er waren enorme verzamelingen lucifermerken, oude ansichtkaarten, antieke poppen, enz. te zien.
De natuur is hier erg rijk en het is dan ook niet verwonderlijk, dat men tussen de verzamelingen kostbare gesteentes allerlei interessante vondsten had. Prachtige stukken versteend hout, stukken jade; men liet ons de vorm zien, waarin het gevonden werd en hoe het bewerkt wordt om mooi te gaan glanzen.
Een bijzondere interesse kreeg vooral de vliegtuigmodelbouw. Er waren twee modelbouwclubs vertegenwoordigd.
Eén van de clubs had op zich genomen een sportvliegtuig te bouwen, en dit vliegtuig stond al in een vergevorderd stadium, terwijl de leden allerlei kleinere houtdelen zaten te lijmen om als spanten voor de vleugels te kunnen dienen. Dit model gaat over enkele maanden – na keuring – bemand de lucht in! Ook botenbouw werd beoefend, er was een oude stoomboot te zien, op schaal nagebouwd, en vele, vele foto's van soortgelijke oude boten.
Om de paar uur werden er op een toneel, met in een halve cirkel stoelen eromheen, een amusementshow opgevoerd en voor de kinderen een sprookjesverhaal.
Het was een goede tentoonstelling en na afloop vonden we het een prettige gedachte te weten, dat de Hobby Club Dordrecht op een tentoonstelling in zo'n wereldstad als San Francisco en Oakland geen gek figuur zou slaan.

Anke van Aardenne.

Studierubriek Fotografie
1a. om de werking van lichtfilters te begrijpen en deze filters in de praktische fotografie te kunnen toepassen, is het van het hoogste belang, dat we weten, wat een kleurencirkel is, en dat we deze uit het hoofd kennen.
Als we het zonlicht door een prisma (een blokje glas in een bepaalde vorm) laten vallen, is het uittredende licht niet wit, maar verdeeld in een aantal kleuren: de spectrale kleuren.
Wanneer we deze kleuren als volgt in een cirkel rangschikken:

blijkt, dat de kleuren, die steeds recht tegenover elkaar staan wit licht opleveren, indien men ze samen projecteert!
(N.B. purper is eigenlijk geen spectrale kleur, maar een mengsel van rood en violet Voor onze redenering is dit niet van belang.)
1b. Maakt men nu een stukje glas, dat alle blauwe lichtstralen, die in het witte licht zitten, absorbeert (opslorpt), dan zal alles, wat we door dit filter bekijken, een oranje-achtige tint hebben. Een oranje filter is dus eigenlijk een anti-blauw filter, een geelfilter is in feite een anti-violet-filter, etc. Onthoudt dit goed!
2. In de zwart-wit fotografie gebruiken we lichtfilters (gemaakt van gekleurd glas of van gelatinefolie) om de kleurweergave van een emulsie bij een bepaald soort licht beter aan te passen aan de kleurenindruk op het oog (correctiefilter) of om verschillende kleuren in met een groter verschil in grijswaarde af te drukken dan overeenkomt met de relatieve helderheidsindruk van die kleuren op het oog. Dit lijkt misschien heel moeilijk en onbegrijpelijk, maar dat is het toch niet; ik zal twee voorbeelden geven:
a. het correctiefilter. Stel, dat we een opname maken van iemand met blozende appelwangen. Het licht van onze fotolampen bevat veel meer rode en gele stralen dan het daglicht; maar onze gewone zwart-wit film is afgestemd op daglicht. Als we nu bedenken, dat een voorwerp met een rode kleur alle stralen van het witte licht absorbeert, en alleen de rode stralen in dat witte licht terugkaatst, begrijpen we ook, dat de rode wangen alle zo rijkelijk aanwezige rode stralen van het fotolampenlicht zal terugkaatsen, maar dat de andere delen van het gezicht niets aan die rode stralen hebben, en alleen de stralen van hun eigen kleur terugkaatsen. Maar die stralen zitten juist zoveel minder in het fotolampenlicht!
Het resultaat is, dat de wangen overbelicht worden, en dat het eens zo gezond blozende gezicht lijkbleek wordt weergegeven. Dit verhelpen we door een filter te gebruiken, dat rode stralen enigszins tegenhoudt, dus een licht groen-filter.
b. het contrastfilter, We maken een opname van een landschap met een blauwe hemel, waarin wat wolkjes drijven. De film geeft het grijs van de wolken en het blauw van de hemel in een zelfde tint grijs weer, en op onze foto is de hemel een saai grauw vlak.
Dit verhelpen we door een filter te nemen, dat blauw tegenhoudt (oranjefilter) en de lucht wordt een donker fond, waar de wolken helder tegen afsteken. Een geelfilter werkt op deze plaats wat minder sterk, terwijl een zwaar roodfilter het blauw voor vrijwel 100% absorbeert, hetgeen een dramatisch effect geeft.
(Bedenk eens zelf, waarom in de kleurenfotografie alleen correctiefilters worden gebruikt!).
3. Als we het bovenstaande goed begrepen hebben, is de praktijk heel eenvoudig. Toets je pas verworven kennis aan de volgende vragen:
1. Je fotografeert een rode roos tegen een achtergrond van groene bladeren. Nadat je je negatief ontwikkeld hebt, bemerk je dat de grijstint van de rode roos dezelfde is als die van de bladeren. Je maakt de opname over en nu met een filter.
a) Als de rode roos donker moet afsteken tegen een achtergrond van lichte bladeren, welk filter gebruik je dan?
b) Als de roos lichter moet zijn dan een achtergrond van donkere bladeren, welk filter gebruik je dan?
2. Het is herfst. Je wilt het mooie herfstloof in een zonnige kleur laten afsteken tegen de blauwe hemel. Welk filter?
3. De waterdamp in nevels reflecteerd veel blauw, en dit geeft het bijzondere effect van nevelstemmingen.
a) Als je de nevelstemming wilt versterken, welk filter moet je dan gebruiken?
b) Als je de stemming teniet wilt doen?
4. Nog enige losse opmerkingen:
Denk eraan, dat filters een groter deel van het spectrum doorlaten dan alleen die ene kleur, waarvoor ze gemaakt zijn. Een geelfilter laat dus ook nog heel wat oranje en rood door. En een licht of middelzwaar filter laat zelfs nog wel een klein beetje van zijn complementaire kleur door.
Het geelgroenfilter heeft op de wolkenhemel vrijwel hetzelfde effekt als het middelgeelfilter, zonder dat een bruinverbrande huid te licht wordt, wat bij het geelfilter wel vaak het geval is.
Geelfilters verminderen de atmosferische nevels in de verte.
5. De filterfactor.
Omdat het filter een deel van het beschikbare licht absorbeert, moeten we een langere belichtingstijd of een grotere diafragmaopening kiezen dan anders. Het getal, dat aangeeft, hoeveel langer we moeten belichten, noemen we de filterfactor of vertreagingsfactor. Bijv.: Factor 2: tweemaal zolang belichten, dus het diafragma één stop verder open.
Factor 4: vier maal zolang belichten, dus twee stoppen verder open.
Factor 8: drie stoppen verder open.
Factor 16: vier stoppen.
etc.
6. Omdat de meesten onzer leden niet aan kleurenfotografie doen, zal ik de bespreking van de vele correctiefilters van de kleurenfotografie maar achterwege laten, terwijl ook het polarisatiefilter waarschijnlijk door niemand van ons gebruikt wordt (het is te duur!).
Met deze korte inleiding heb ik geprobeerd je wat wijzer te maken op filtergebied. Leer vooral geen "gebruiksmogelijkheden" van de verschillende filters uit je hoofd, maar filter met verstand!

Rob Ruurs.

De oplossingen:
1a. Een filter gebruiken, dat het rood van de roos tegenhoudt en het groen van de bladeren doorlaat, dus een lich tgroen filter.Geen zwaar groenfilter want dan wordt de roos bijna zwart, en de bladeren worden abnormaal licht!
1b. Een lichtrood filter of een oranjefilter.
2. Een filter, dat de herfstkleuren doorlaat en het hemelblauw tegenhoudt: oranje dus.
3a. een lichtblauw filter.
3b. Geel, oranje of rood.
Meer uitgebreide verhandelingen over dit interessante onderwerp vinden we in "Prisma fotoboek" van P. Charpentier en in "Fototechniek" van dezelfde schrijver en uitgever (Het Spectrum – Utrecht).

R.R.

 

De economie van de Sowjet Unie is het antwoord van het communisme op het kapitalisme, zoals dat ten tijde van Marx bestond. Toen de Bolsjewiki in de oktoberrevolutie de macht grepen, had het kapitalisme echter niet meer die extreme kenmerken, die het vijftig jaar tevoren nog had. Er was een begin van sociale wetgeving, belastingen op inkomens en vermogens en vooral ten gevolge van de Eerste Wereldoorlog had de overheid economische beslissingsmacht aan zich getrokken, die voordien nog voor particuliere doeleinden werd gebruikt. Bovenstaande geldt alleen voor de al flink geïndustrialiseerde landen. Rusland was in de toenmalige verhoudingen een onderontwikkeld land, dat vrijwel geheel van landbouw, jacht en bosbouw afhankelijk was.
Tegenover het extremisme van het kapitalisme uit het midden van de vorige eeuw stelden de communisten hun eigen extremisme. Reeds spoedig bleek dit niet in volle vorm te handhaven.
De lonen werden meer gedifferentieerd en de uiterst gedetailleerde instructies aan de fabrieken werden meer gericht op kwaliteit dan op alleen maar de omvang en hoeveelheid. Doordat aanvankelijk kapitaalrente in de zin van arbeidsloos inkomen geïdentificeerd werd met kapitaalrente als economisch gegeven, werd deze niet in rekening gebracht. Hierdoor waren kapitaalintensieve produkten goedkoop, de arbeidsintensieve produkten duur. Daardoor werden de verhoudingen zo scheef getrokken, dat kapitaalrente en later ook rentabiliteit in de overwegingen betrokken werden. Veel beslissingen, die eerder op het hoogste niveau genomen werden, werden aan lagere organen of aan de bedrijfsleiding overgelaten. Onder invloed van Liberman wordt de omvang, kwaliteit en differentiatie van de produktie steeds meer door de vraag bepaald.
Zien we in de Sowjet Unie een decentralisatie van de economische beslissingsmacht, in de westelijke landen wordt deze steeds meer gecentraliseerd. Het overheidsingrijpen in de economie is sinds de crisis enorm toegenomen.
Er zijn staatsbedrijven, door belastingen en subsidies worden ontwikkelingen en verschijnselen gestimuleerd of tegengewerkt. De overheid voert een actieve prijs- en conjunctuurpolitiek als antwoord op crises en onevenwichtigheden. De sociale wetten en verzekeringen beschermen de arbeiders tegen economisch sterkeren en verzekeren hen een oudedagsvoorziening.
Een aantal markten blijkt zichzelf niet goed te reguleren. Ook hier grijpt de overheid in, bijvoorbeeld in de landbouw, die zonder staatsbemoeienis niet of nauwelijks zou kunnen bestaan. Er wordt steeds meer aan planning gedaan, door de bedrijven, maar ook door de regering. De democratisering van de onderneming blijft bij deze ontwikkelingen ten achter, doch ook hier zullen maatregelen niet lang meer uit kunnen blijven.
We zien, dat zowel het kapitalisme als het communisme zijn begonnen in hun extreme vorm en dat zij steeds meer een mengvorm gaan vertonen. Beide stelsels hebben een welvaartseconomie tot doel. De concurrentie (overigens een typisch kapitalistisch begrip!) tussen de twee stelsels dwingt hen tot steeds efficiënter produktie, waarbij de economische stelsels meer en meer op elkaar gaan lijken.

Kasper J. Jansen.

De Hobby Club is als twee ogen: de leden nu zijn het licht in die ogen. Als de leden actief zijn, zijn de ogen stralend en helder. Laat U, leden, het nooit zover komen, dat de ogen dof worden of helemaal niets meer kunnen zien!

Met eed'le eensgezindheid
En hoogverheven harmonie,
Maar wars van strijd
En met de juiste visie
Op 't clubbeleid,
Zal ééns de H.C.D.,
Tot veel actiefs bereid,
Met àlle leden méé
Een hoogstaand peil bereiken
En met de hobby-erepalm strijken!

Kees Snoek.

Het is lang geleden, dat we in aflevering III van deze serie gezien hebben, hoe een transistor in gemeenschappelijke-basis schakeling in principe werkt.
Daarom is het goed om de voorafgaande delen nog eens grondig door te nemen alvorens verder te lezen.
Deze keer zullen we de drie principieel mogelijke schakelingen van transistoren nader onderzoeken en met elkaar vergelijken:

1. De gemeenschappelijke-basis schakeling

fig. IV-1 PNP transistor in gemeenschappelijke-basis schakeling.

Dit is de schakeling, waarin we de transistor hebben leren kennen. We onderscheiden eerst de instelling van deze schakeling. De emitter zal enigszins positief zijn t.o.v. de basis en dus t.o.v. aarde, 0,3 V ingeval van een germanium transistor, 0,7 V bij een silicium transistor.
Stel, dat we hier te doen hebben met een siliciumtransistor, V1 is een spanningsbron van 10,7 V, en Re bedraagt 1 kΩ

Er zal dan een instelstroom Ie vloeien van:

Het overgrote deel van deze stroom belandt in de collector, welke op een negatieve spanning wordt gehouden door V2 , via de collectorweerstand Rc.
De transistor is nu gereed om een signaal te ontvangen en wel in de vorm van een signaalstroom, welke geïnjecteerd wordt in de emitter.
De ingangs differentiaal weerstand, "kijkend" in de emitter, is erg laag en sterk niet-lineair.
Bij een instelstroom van 10 mA bedraagt deze ingangsweerstand:

De signaalspanning aan de emitter is dan ook zeer gering en de spanning, welke er ontstaat, is vervormd. Dat is evenwel geen bezwaar, want deze spanning als zodanig wordt nergens voor gebruikt. De ingangsstroom is niet vervormd en deze stroom verschijnt aan de collector en kan dan door een hoge weerstand gedreven worden.
Laten we als voorbeeld aannemen, dat de ingangsstroom een wisselstroom is van 1 mA piek amplitude.
Deze wordt gesuperponeerd op de instelstroom van 10 mA. De feitelijke emitterstroom varieert dus tussen 9 en 11 mA. De spanning aan de emitter is ongeveer:
1 mA x 2,6Ω= 2,6 mV.
Stel, dat de collectorweerstand Rc = 1 kΩ is.
De signaalspanning op de collector bedraagt dan:
Uc = 1 mA 1 kΩ= 1V
Er treedt dus een spanningsversterking op van:

De toepassingen en voordelen van deze schakeling zullen later duidelijk worden, als we de beperkingen van transistors en transistorschakelingen zullen behandelen.

2. De gemeenschappelijke-emitter schakeling.
Dit is ongetwijfeld de meest toegepaste transistor-schakeling. De reden is, dat ze zowel stroom- als spanningsversterking geeft.
In deze schakeling is de emitter dus geaard.

fig. IV – 2 PNP transistor in gemeenschappelijke-emitter schakeling.

We onderscheiden weer de instelstromen en de signaalstromen.
V1 in combinatie met Rb zorgt voor de instelling.
De emitter-basis diode is weer in voorwaartse richting aangesloten (de stroom welke V1 doet lopen is in de richting van de pijl in het transistor symbool).
Nu weten we, dat er een grote stroom in de emitter nodig is om een kleine stroom in de basis te doen ontstaan, omdat immers het overgrote deel van de emitterstroom in de collector belandt. Om precies te zijn is de verhouding tussen de collectorstroom en de basisstroom Ib :

Laten we aannemen, dat ß voor onze transistor 100 bedraagt:
ß= 100
Om weer een collectorstroom van 10 mA te verkrijgen, hebben we dus een basisstroom nodig, van:

Bedraagt V1 weer 10,7 V, dan dient Rb een waarde gegeven te worden van:

De emitterstroom Ie bedraagt nu:
Ie = Ib + Ic = 0,1 mA + 10 mA = 10,1 mA
Tot zover hebben we dus alleen de instelstromen beschouwd, maar voor de signaalstromen geldt uiteraard precies hetzelfde verhaal.
ic = ßiin
ie = ib + ic = iin + ßiin = iin (1 + ß)
Is onze signaalstroom 0,01 mA en ß= 100, dan volgt ic = 1 mA en ie = 1,01 mA.
Deze 1 mA variatie in emitterstroom geeft over de differentiaalweerstand tussen basis en emitter weer een spanningsvariatie van:
Ueb = 1 mA x 2,6 Ω= 2,6 mV
Omdat de emitter nu geaard is, verschijnt deze signaalspanning op de basis.
We zien dus, dat, als we een signaalstroom van 0,01 mA sturen in de basis, er een signaalspanning van 2,6 mV op de basis verschijnt.
Het is dus, alsof we "in een weerstand kijken" van:

De ingangsdiferentiaal weerstand van 2,6 Ω, kijkende in de emitter van een gemeenschappelijke-basis schakeling, is dus blijkbaar ßx hoger, kijkende in de basis van de gemeenschappelijke-emitter schakeling.
Bij gebruik van een collectorweerstand Rc van 1 kΩ zal de collectorsignaalspanning bedragen:
Uc = ic x Rc = 1 mA x 1 kΩ= 1V.
De spanningsversterking bedraagt dus weer 385 x, en bovendien is er nu een stroomversterking van 100 x:



Hier moet nog één opmerking geplaatst worden en wel over de faze-omkering van deze schakeling.
Wordt de basis iets negatiever, door verhoging van Ib, dan wordt ook Ic groter en de collector positiever.
De collectorspanning verandert dus in tegengestelde richting als de basisspanning.
De uitgangsweerstand van deze schakeling is weer hoog.

3. De gemeenschappelijke-collector schakeling.
Dit is de derde principieel verschillende schakeling, welke wèl stroomversterking, maar geen spanningsversterking te bieden heeft.

Deze schakeling wordt ook vaak emitter-volger genoemd, omdat de spanning op de emitter de basis als het ware volgt, zoals we weldra zullen zien.
De instelling van de transistor wordt verzorgd door de spanningsbron V1 en de emitterweerstand Re
De basis wordt op aard-potentiaal gehouden door de signaalspanningsbron, en de emitter zal 0,3 of 0,7 V positief zijn t.o.v. aarde.
Veronderstel een siliciumtransistor, een spanningsbron V1 van 10,7 V en Re = 1 kΩ
Voor Ic volgt dan:

De collector wordt op voldoende negatieve spanning gehouden door V2.
Laten we nu aannemen, dat de signaalspanningsbron de basis 1 V positief t.o.v. de aarde maakt
Dan zal de schakeling zich onmiddellijk herinstellen, zodanig, dat de emitter weer 0,7 V positief is t.o.v. de basis. De emitter bevindt zich dan op 1,7 V positief t.o.v. aarde, is dus ook 1 V omhoog gegaan. Er staat nu nog maar 10,7 – 1,7 = 9 V over Re en Ie zal nu 9 mA bedragen.
De verandering van de emitterstroom is dus 1 mA.
De basisstroom zal dus een verandering van ondergaan.

We kunnen nu dus weer de ingangsweerstand uitrekenen:

De ingangsweerstand is dus erg hoog. Later zullen we zien, dat hiervoor geldt:
ri = ß x Re
De uitgangsweerstand is erg laag. In feite is deze gelijk aan de differentiaal ingangsweerstand, kijkende in de emitter, en die is bij Ie = 10 mA

De stroomversterking welke hier optreedt is:

SAMENVATTINGVAN HET VOORAFGAANDE:

1. gemeenschappelijke-basis schakeling.
lage ingangsweerstand , niet-lineair.
hoge uitgangsweerstand.
er treedt spanningsversterking op.
stroomversterking = α = 1.

2. gemeenschappelijke-emitter schakeling
redelijk hoge ingangsweerstand = ßre , niet-lineair.
hoge uitgangsweerstand
er treedt zowel stroomversterking (ßx) als spanningsversterking op (met faze-omkering)
3. gemeenschapppelijke-collector schakeling
hoge ingangsweerstand = ßRe , lineair.
lage uitgangsweerstand
er treedt stroomversterking op (ß+ l) x.

Arend Kastelein.

Het begon allemaal in december 1967, toen een viertal jongens in het holst van de nacht met auto door de verlaten straten van Dordrecht reed. Op een gegeven moment kruiste een politie-auto hun weg en wat hadden deze jongens anders te doen om de rollen eens om te draaien en de politie eens te volgen.
Een half uur lang speelden ze verstoppertje in de binnenstad, totdat de politiewagen op de Voorstraat stopte om een bromfietser met violet licht aan te houden.
We stapten uit onze auto en gingen op de politiemensen af. We maakten een praatje met de dienstdoende agebten en vroegen of we eens mee mochten om te kijken of er wat te helpen viel. Dit kon natuurlijk niet zomaar. we moesten ons eerst met het hoofdbureau in verbinding stellen en om officiele toestemming vragen.
Na enkele weken verschenen we op het hoofdbureau (H.B.) en konden we met hoofdinspecteur Verkerk een afspraak maken om een nacht mee te rijden. Dit zou dan eind januari gebeuren.
Door plotselinge ziekte van een der jongens kon deze afspraak niet doorgaan en pasin mei kon er weer een nieuwe afspraak gemaakt worden om alsnog een keer mee te rijden.
Zaterdag achttien mei gingen wij gewapend met visioenen van wilde klopjachten en schietende agenten naar H.B. Om tien uur in de avond stapten we de trappen van het H.B op en maakten kennis met de agenten. Als wagencommandant hadden we brigadier de Mol, chauffeur in de wagen was de agent van Mourik en achterin namen wij plaats met de heer Noordhoek.
Een paar honderd meter van het H.B. verwijderd werd gecontroleerd of de zender en de ontvenger van de mobilofoon der auto goed functioneerden. Dit ging als volgt:
"Hallo H.B, hier de D.O. 3, is de ontvangst goed? Over."
"Hallo D.O.3, hier H.B. De ontvangst is O.K."
Wachtend op de eerste activiteit legde de heer Noordhoek de werking van z'n 9 mm Browning uit. Geladen met 7 patronen 9 mm.
Gelukkig had hij het pistool ook nog nooit behoeven te gebruiken, maar hij h ad het wel eens bij bepaalde gevallen schietklaar gehad. De gummiknuppel is ook een wapen waar niet mee te spotten valt, en we raden iedereen aan niet te dicht erbij in de buurt te komen. Allereerst worden diverse bijzonder duistere punten van Dordt langs gereden, waar goede mogelijkheden lagen voor eventuele zedenmisdrijven. Ook werd er een leegstaand hofje in de binnenstad gecontroleerd op eventuele ongewenste hippies, die daar vaak de nacht door plachten te brengen. Vervolgens maakten we een toer langs alle jeugdcentra, zoals o.m. De Zwarte Kat, Beatcentrum en Dolhuys, de Sleutel was enkele dagen tevoren gesloten.
Het was verder bijzondermrustig in de stad en we zaten te wachten totdat er iets zou gaan gebeuren. Rijdende langs de "Mijlpaal" op de Mijlweg ontdekten we dat het licht in één van de kantoortjes nog brandde. We liepen helemaal om het gebouw heen en we schenen met een enorm sterke lamp alle deuren en dakvensters om te kijken of er iets open stond, dat eventueel op een inbraak zou kunnen wijzen.
Er was niets te zien wat op onraad wees, dus we lieten het er maar bij. Bij het station hebben we nog even staan kijken wat voor mensen er uit de late treinen kwamen; ook dat was in een kwartiertje bekeken.
We reden verder en op de Voorstraat werden we aangehouden door een dronken jongeman, die luidkeels te kennen gaf dat hij in elkaar was geslagen door enkele personen in een naburig café. Hij wilde wel mee naar het bureau om alles eens haarfijn uit de doeken te doen. Voordat hij in de wagen kon stappen kwam er een man van het Leger des Heils aan. Die vertelde dat hij al een poosje had staan kijken, en dat het allemaal zo'n vaart niet had gelopen.
Op een gegeven moment reden we in de Reigerstraat en kwam er plotseling een bericht door dat er op het Bagijnhof bij een grote zaak iets aan de hand zou zijn. Nog voor het bericht helemaal doorgekomen was stoven we met een vreselijke snelheid in de richting van het Bagijnhof.
De snelheid van 50 km. werd hierbij meerdere malen overschreden. Hierbij moesten we ons op alle mogelijke manieren vasthouden en schrap zetten, om niet door de wagen geslingerd te worden.
Aangekomen op het Bagijnhof werd per mobilofoon officieel doorgegeven dat de bemanning de wagen zou verlaten. Hierna gingen we met z'n vijven op onderzoek uit.
Er zou een grote steekvlam en een knal gezien en gehoord zijn. We konden echter niets ontdekken, dat erop wees dat er iets niet in de haak zou zijn.
Ook aan de achterkant van het gebouw werd alles gecontroleerd, maar ook niets te zien. Hierbij was ook dit geval weer voorbij, nadat ons doorgegeven was, dat we er nog maar een paar keer langs moesten rijden.
Het liep inmiddels weer tegen 12 uur en we gingen toen maar weer richting H.B.
In totaal reden er in de stad 4 patrouillewagens rond, waarvan 2 in de binnenstad en 2 in de buitenwijken.
In deze twee uur hadden we in totaal toch slechts 25 km. Gereden. Al met al waren het geen drukke uren geweest, hetgeen natuurlijk wel eens anders kan zijn; vanavond in elk geval géén wilde klopjachten en géén schietende politiemannen.
Toch hebben we twee interessante en wel bestede uren gehad en je ziet dus wel, dat ook 's nachts alles in de gaten gehouden wordt voor het welslagen van jullie nachtrust.

KEES RUURS

FRANK VAN HEES

Verslag Teach-in Fotografie 31-8-1968, 8.00.u.
Ieder, die lid was van of belangstelling had voor afd. Fotografie, was aanwezig. De opkomst bedroeg ong. 35 leden. Rudy Meyer heette iedereen welkom en begon te vertellen. Het eerste fototoestel was een zgn. speldeprikcamera, een doos met een gaatje erin van ong. ½ mm. Dit liet natuurlijk erg weinig licht door en daarom moesten de foto's met deze camera gemaakt, ong. een halve minuut belicht worden in de volle zon. Dit had als gevolg, dat alleen stilstaande objecten gefotografeerd konden worden.
Om korter te kunnen belichten moest het gaatje groter worden, maar nu werd het beeld onscherp. Daarom plaatste men een lens in het gaatje. Deze heeft de eigenschap lichtstralen samen te bundelen.

De uiteinden van de lens hebben geen nut, dus het diafragma (gaatje) wordt kleiner gemaakt dan de lens, zodat de uiteinden wegvallen; van de grootte van het diafragma hangt af, hoeveel licht binnenkomt. Met een klein diafragma moet dus langer belicht worden. Dit wordt geregeld met een sluiter. Een sluiter is een mechanisme, dat het licht met een bep. snelheid doorlaat. Hierachter zit de film.
Voorbeeld sluiter: spleetsluiter.
Een beeld kan vergroot worden door de brandpuntsafstand te verkleinen:

De volgende keer enkele nuttige raadgevingen en iets over reflexcamera's.

Betty Pannekoek.

De vorige keer hebben we het over het ontkolen van de motor gehad en nu zal ik over de remmen spreken. Bij de meeste gevallen voldoen deze wel aan de eisen, die hier in Nederland worden gesteld, maar als men in een land gaat reizen met tamelijk steile afdalingen, blijkt het weer, dat ze toch niet zo goed meer zijn.
Voor het demonteren van de rem (meestal is dat een trommelrem) moet je een beetje je verstand gebruiken en net zolang rommelen, tot je de remvoering vrij hebt (ik kan het demonteren van de rem niet beschrijven, daar bij elk soort brommer de rem anders gemonteerd is). Als de remvoering bloot ligt, schuur je het remvlak op met middelfijn schuurpapier en maak je de voering volkomen vetvrij (bijv. met Tri) Schuur met polijstpapier de remtrommel een beetje glad en maak ook deze volkomen vetvrij, laat hem goed drogen (als de trommel vet was) en monteer hem weer.
Over de wiellagers valt niet zoveel te vertellen, wanneer het wiel echter speling heeft of zwaar loopt, (dit zwaar lopen kan ook aan het slepen van de remvoering liggen), moeten de lagers opnieuw gesteld worden. Je moet maar gaan experimenteren, hoe je dit moet doen (anders moet ik weer een boekdeel gaan schrijven)
Pas ervoor op, dat je vooral bij verstelbare wiellagers niet met olie smeert, maar met vet!
Bij wiellagers, die niet verstelbaar zijn, heeft men natuurlijk geen last van speling of zwaar lopen. Zorg er wel voor, dat je bij het stellen van de wiellagers en voor het inzetten van het wiel de lagers goed borgt; dit omdat ik je de last van het over de kop slaan wil besparen!
Loop de bedieningskabels nog eens goed na en olie ze! (vooral de koppelings- en de gaskabel) En neem, voor je weg gaat, een paar reservekabels mee!
Ook aan de bedrading moet de nodige aandacht geschonken worden, daar het niet leuk is, als je midden in de rimboe zit en dan sluiting krijgt!
Vooral komt de draad het meest bloot te liggen bij de stuurkolom en het motorblok.
Kijk de vering eens na en vul ze eventueel met olie, want ze krijgen ontzaglijk veel te verduren.
De ontsteking kun je veel beter aan de motorhandelaar overlaten en een tientje ertegenaan gooien, omdat 50% van alle gevallen van pech te wijten is aan een rotte ontsteking en gare condensator of versleten contactpunten.
Voor die tien gulden zet de monteur er wel nieuwe contactpunten in, en niet te vergeten, een condensator. Vooral de Mobylette heeft vaak last van een niet goed-functionerende ontsteking!
Als we dit alles goed hebben nagekeken, kun je met een gerust hart op reis gaan! De volgende keer zal ik het hebben over het rijden in de bergen.

Ruud Ooyen.

In 1951 kwam de Heer B.J. Verhey op het idee om een modelspoorbaan te gaan bouwen. Dit moest niet zomaar een baan worden, dit moest er één worden, die zijn weerga niet had in ons land. Dit niet zozeer vanwege de grootte o.i.d., maar vanwege de unieke rij- en rangeermogelijkheden op die baan. Na drie maanden denkwerk kwam er een baanplan voor een baan van 3 bij 4 meter gereed. Met de bouw werd toen begonnen. Alles op deze baan werd zelf gemaakt: de rails, wissels en bovenleiding uit lasdraad, de bovenleidingsportalen uit aluminium strips, de gebouwen, bruggen en viaducten uit karton. Er kwamen nog een basculebrug en een draaischijf, die werkten d.m.v. vertragingen uit Mecano-onderdelen. Tijdens het werk werd de baan uitgebreid tot 4 bij 6 meter. Er kwam ook nog een station bij, dat op een brug met vier sporen en een lengte van meer dan drie meter gebouwd werd. In totaal ligt er 150 meter rails op deze baan. In 1956, toen hij half afgebouwd was, werd er echter niet meer naar omgekeken.
In 1967 werd hij de H.C. geschonken. Nu wordt er op afd. Modelbouw aan deze baan gewerkt. Het is de bedoeling, dat hij helemaal beveiligd en ten dele geautomatiseerd wordt met behulp van relais. Het beveiligen gebeurt volgens het bloksysteem van de NS, waarover later.

Ronald Paans.

Tijdens de werknacht van 13 op 14 april 1968 liep ondergetekende rond met een draagbare bandrecorder en interviewde "de zwoegers van het late uur". Plaats en tijd: onze hobbyzolder om ± half twee:

Ger de Pee: VRAAG: Hoe vind jij deze werknacht?
Eh …. Nou, wat zou ik zeggen…. Eh, niet zo gek veel Eh….mensen, die dus een beetje meewerken, maar er wordt toch wel zeer actief gewerkt door de wél aanwezigen, ja. Ja, dat mag wel gezegd worden, ja.
VRAAG: Wordt er harder gewerkt dan de vorige nachten?
Nou nee, dat geloof ik niet. Dat ligt ongeveer op het zelfde niveau.
VRAAG: Wat heb je vannacht alzo gedaan?
Eh…. leidinkies gelegd, leidinkies gelegd voor de centrale alarm- eh…. omroepinstallatie en muziekinstallatie, enz., enz.
VRAAG: Heb je slaap?
Nee, niet in het minst.
Lies Wiessner: een hardwerkend meisje, waaraan menig mannelijk hobby club-lid een voorbeeld kan nemen: VRAAG: Wat is je mening over deze werknacht?
Heb ik niet!
Verder zei Lies niets. Ze vroeg alleen aan haar broer Wim of deze al van plan was naar huis te gaan. Antwoord van Wim: Nog lange niet.
Kees Ruurs: VRAAG: Vind je het een geslaagde werknacht?
Nou, zeer geslaagd.
Vraag: En de opkomst?
Nou, dat viel nogal mee. Dat valt nogal mee.
VRAAG: Valt het mee of tegen?
Ja, tegen eigenlijk. In totaal zijn we met een man of vijf, zes bezig.
VRAAG: Wat heb je gedaan?
Nou, we zijn begonnen om hier een klein muurtje af te metselen. Daarna hebben we koffie gedronken. Of nee…. soep was het. En toen zijn we begonnen met de kleedkamer. Trap gemaakt. En nou zijn we bezig een tafel te maken.
Rein Kaptein: Wat heb jij gedaan jongen?
Nou, ik heb men eigen de pleuris gewerkt. Aan dit muurtje hier. En ik heb een deur opgezocht.en En ik ben iets te eten en te drinken wezen halen. En ik heb een deur op de kop getikt (dat zijn er dan al twee, Jan H.) En voor de rest heb ik zo'n beetje gekeken en advies gegeven hier en daar (trotse glimlach).
VRAAG: Niet vermoeid?
Ja, bijzonder vermoeid, ja! (lacht weer).
Ach ja, op jouw leeftijd (Jam H.)
Wim Wiessner: VRAAG: Hoe heb jij deze werknacht gevonden?
Nou, geweldig. Net zoals de anderen. Net zo als de andere keren.
VRAAG: Heb jij hard gewerkt deze keer?
Ja, bijzonder hard gewerkt, bijna net zo hard als Jan Kraal.
VRAAG: Wat h eb je vannacht allemaal gedaan?
Nou, hetzelfde als Jan Kraal. Eeeeeeh….. Zuurkast, troep gemaakt en weer opgeruimd en Dick uitgescholden.
Wat ondergetekende uitgespookt heeft?
Hetzelfde als Wim Wiessner!

Jan H. Kraal.

Het onderwerp kleurent.v. is in de laatste tijd wat actueler geworden, doordat verschillende Europese landen waaronder Nederland onlangs met min of meer regelmatige kleurenuitzendingen zijn gestart. In Nederland begonnen 26 jaar geleden in 1941 Philips technici en wetenschapsmensen aan de verwezenlijking van een bewegend beeld in kleuren. 25 jaar lang heeft deze snel groter wordende groep gewerkt en geëxperimenteerd. In alle grote electronica-concerns over de gehele wereld werden systemen ontwikkeld en onderdelen geperfectioneerd.
In de V.S. startte men verschillende jaren terug het eerst met regelmatige kleurenuitzendingen. Daarna volgde Japan dat momenteel het grootste aantal in kleuren uitzendt.
Het zou te ver voeren in dit artikel uit te weiden over deze ontwikkeling, wij zullen ons beperken tot de principes van het huidige systeem.
Bij het zwart-wit systeem is het scherm voorzien van een fluoriserende laag,welke oplicht bij een electronenbombardement.
Deze electronenbundel is heel smal en beweegt van links naar rechts over het beeld. Deze snelheid is hoger dan de reactiesnelheid van ons oog en wij zien daardoor één streep horizontaal op het scherm.
Dezelfde electronenbundel verspringt steeds een klein stapje naar beneden, waardoor we één oplichtend scherm te zien krijgen. Wanneer deze bundel onderaan het scherm is, springt hij terug naar links bovenaan en begint opnieuw.

Tijdens het teruggaan van de electronenbundel na iedere lijn en na een heel beeld, wordt de straal onderdrukt, zodat we dit terugzwiepen (dit gebeurt met een veel hogere snelheid) niet zien.
Het aantal beeldlijnen, die geschreven worden, is 625 bij het Europese standaardsysteem. Sommige landen (bv. Frankrijk) hebben een groter aantal, 819 lijnen, en sommige minder (bv. Engeland met 415 lijnen). Hoe groter het aantal beeldlijnen des te beter de beeldscherpte, een groot aantal beeldlijnen heeft echter op andere terreinen weer nadeel.
Het enige, wat we tot nu toe bereikt hebben is een beeld, dat punt voor punt en lijn voor lijn oplicht, maar nog geen beeld te zien geeft.
Wanneer we de electronenbundel gaan moduleren, d.w.z. in sterke mate gaan variëren, dan zal het scherm op dat moment sterk, minder sterk of helemaal niet oplichten en dit kan gebeuren op elk moment tijdens het schrijven van een lijn. Welnu, aan de rechterzijde gebeurt hetzelfde als bij de ontvanger maar dan omgekeerd. Daar wordt weer te geven beeld ook lijn voor lijn afgetast en elk verschil in lichtsterkte, dat de camera bij dit aftasten ziet, wordt onmiddellijk doorgegeven aan de electronenbundel in onze beeldbuis via zender-antennes en ontvanger. Hierdoor ontstaat wanneer alles goed is een getrouwe kopie van wat de camerabuis op hetzelfde ziet. Het zal duidelijk zijn dat het aftasten in de beeldbuis precies gelijk moet lopen met dat in de camera; hiervoor zorgen allerlei electronische trucjes. Wanneer dit niet het geval is, gaat het beeld zogenaamd "lopen".
Bij kleuren-t.v. volgen we het zelfde systeem, alleen nagenoeg alles in drievoud. We weten, dat alle kleuren teruggebracht kunnen worden tot een combinatie van drie hoofdkleuren nl. rood, geel en blauw. Uit de juiste mengverhoudingen van deze drie kleuren kunnen we alle andere kleuren en tinten. Het beeldscherm bestaat bij kleuren-t.v. uit honderden groepen van 3 puntjes, dichtbij elkaar gelegen. Elk van deze puntjes licht op in één van de hoofdkleuren bij een electronenbombardement. Er zijn ook 3 electronenbundels; elke bundel behoort bij een bepaald puntje en vertegenwoordigt een bepaalde hoofdkleur.

Om ervoor te zorgen, dat een bepaalde electronenbundel alleen de stippen van één kleur kan raken, zit achter het scherm een masker met hele kleine gaatjes; achter elke drie kleurengroep een gaatje. Doordat de electronenbundels vanaf een iets andere plaats komen, is het mogelijk het zodanig te maken, dat elke electronenbundel alleen maar voor één hoofdkleur zorgt (zie tekening), zodat we door bijv. twee bundels uit te schakelen het gehele beeld rood, geel of blauw kunnen maken of met alle drie aaneengeschakeld het hele beeld wit zal worden. Het is duidelijk, dat aan de plaatsing van de kleurgroepen op het scherm en daarachter het masker de hoogste eisen worden gesteld, wat nauwkeurigheid en vakmanschap betreft. Van de zender ontvangen wij de drie kleursignalen, waarmee gescheiden de drie electronenkanonnen worden geregeld en waardoor op dezelfde wijze als bij zwart-wit, maar nu door drie groepen een kleurenbeeld ontstaat. Vanaf een kleine afstand zien we de drie kleurgroepjes als één geheel, waardoor we als het ware de mengkleur te zien krijgen, afhankelijk van het feit, hoe de drie bundels op dat moment zijn.
Voor de overbrenging van deze drie kleursignalen zijn verschillende systemen ontwikkeld. Systemen, welke werden bemoeilijkt door de eis, dat kleurenuitzendingen op een zwart-wit (natuurlijk als zwart-wit) gezien moesten kunnen worden en dat zwart-wit-uitzendingen op een kleuren-tv als zwart-wit ontvangen moesten worden.
Door deze eisen. was het noodzakelijk de drie kleurbeeldsignalen eerst samen te voegen en uitte zenden op de zwart-wit-manier, zodat dit als zwart-wit ontvangen kon worden.
Om nu deze drie signalen in een kleurenontvanger weer te kunnen scheiden, moeten we twee andere combinaties van de drie signalen maken en deze als hulpsignalen gaan uitzenden.
De kleurenontvanger ontvangt dit alles en werkt de drie combinatiesignalen om tot drie gescheiden kleursignalen (drie vergelijkingen met drie onbekenden). Er zijn diverse mogelijkheden om dit te doen, en hierin zitten de verschillen, waarover enkele jaren terug, vooral in de technische kringen heel wat beroering is geweest. Men heeft serieus geprobeerd, althans voor Europa, tot één systeem te komen. Dit bleek door sterke (welhaast starre) nationale trots en gevoelens erg moeilijk. Ook politieke motieven speelden een grote rol. Generaal de Gaulle bracht de nekslag toe aan de Europese t.v.-technici door een contract te sluiten met de USSR voor toepassing van het (lang niet slechte, maar dure) in Frankrijk ontwikkelde kleurentelevisiesysteem (het zogenaamde Secam-systeem) Het in Duitsland verbeterde Amerikaanse systeem (het Pal-systeem) is beslist heel behoorlijk en commercieel zeer aanvaardbaar en dit werd dan ook gekozen door het grootste deel van Europa. Door dit alles (en waarschijnlijk ook zonder De Gaulle) ontstond alweer een systemenchaos, wat de kleuren t.v. alleen maar duurder maakt.
De kleurechtheid van het huidige beeld is nog niet bijzonder hoog (In mijn ogen – dit is zuiver persoonlijk – zijn het zuurtjeskleuren) en het zal in de nabije toekomst waarschijnlijk niet veel beter worden.

Ger de Pee.

De driehoek-ster transformatie is een veel toegepast hulpmiddel bij het berekenen van brugschakelingen. Toch wordt hij vrijwel nooit behandeld in de boeken der elementaire elektrotechniek, die wèl uitputtend ingaan op de wetten van Ohm en Kirchoff.
De reden hiervoor zal wel zijn, dat deze transformatie eigenlijk een onderdeel is van de lineaire netwerktheorie, en in zijn meest algemene vorm wordt afgeleid voor complexe impedanties.
Als we ons echter beperken tot zuiver ohmse impedanties, dus weerstanden, dan is de afleiding eenvoudig te geven en kunnen we er veel plezier van hebben bij het doorrekenen van allerlei schakelingen.
Zoals de naam al aangeeft is deze transformatie een "truc" om een driehoekige configuratie om te zetten in een stervormige, dus zó:

Hierbij is de voorwaarde, dat de potentialen van A, B en C en de stromen van en naar A, B en C niet veranderen.
Als deze twee schakelingen beide in een gesloten doos zouden zitten, waar alleen A, B en C naar buiten gevoerd waren, zou je dus geen verschil moeten kunnen merken.
We vragen ons nu af, hoe we r1, r2 en r3 kunnen uitdrukken in R1, R2 en R3 .
Wel, dat doen we als volgt:
In fig. 1 is de weerstand tussen A en B: (R3 parallel aan R1 + R2)
In fig. 2 is dat r1 + r2 .
Dus moet gelden:

Zo ook:

 

Maar er geldt:

 

Zo kunnen we ook uitdrukkingen voor r2 en r3 vinden.
De volledige transformatie wordt dan:

Een weerstand van de sterschakeling is dus gelijk aan de som van de aanliggende weerstanden in de driehoekschakeling, gedeeld door de som van alle weerstanden van de driehoek. Nu kunnen we ook terug transformeren van ster naar driehoek. Hiervan zal ik de formules niet afleiden (probeer het zelf eens; het moet met de geleidbaarheid = ), maar ze zijn dan:


Huib van der Weijden.

Sinds het invoeren van de vogelwet van 1947 mogen er nog inheemse vogelsoorten in kooien gehouden worden. Onder de inheemse vogelsoorten worden verstaan de vogels, die in Nederland voorkomen, zoals de mus, de merel, de lijster enz.
Van de vogels, die nog gehouden mogen worden noem ik de vink, de putter, de sijs en de groenling. Deze vogels mogen wel gehouden worden, maar niet gevangen, vervoerd en verhandeld worden, wat nog niet wil zeggen, dat dit ook niet gebeurt. Ten gevolge van deze vogelwet werd en wordt de vogelliefhebber natuurlijk steeds meer aangewezen op de uitheemse vogels. Het bekendste voorbeeld hiervan is de grasparkiet, die steeds meer wordt gehouden. Het aantal grasparkieten in Duitsland wordt al geschat op zes miljeon. Wat maar al te vaak vergeten wordt, is dat het vliegen voor sommige vogels een noodzaak is, zoals voor de zwaluw, waarvoor vliegen voedsel betekent. Deze vogels zal men dan ook niet gauw in volières of kooien tegenkomen.
Voor andere vogels is dit vliegen geen noodzaak; zij vliegen alleen om bij dat voedsel te komen en als wij dit dan klaar zetten, is dat vliegen dus geen grote noodzaak meer. Dit heb ik alleen maar verteld om duidelijk te maken, dat h et opsluiten van vogels beslist niet wreed hoeft te zijn. Doordat er zo'n groot verschil is in formaat van de vogels en de verzorgingseisen, die ze stellen, moet er aan de behuizing bijzondere aandacht besteed worden.
De tijd, dat een lijster of een vink in een klein kooitje werd opgesloten, in de hoop, dat hij zal zingen, zolang hij leeft, is gelukkig voorbij. Als U een paar kamers op het noorden heeft, neem dan geen vogels, want zon en licht zijn iets, wat een vogel niet kan missen. Dit wil natuurlijk weer niet zeggen, dat de vogel urenlang in de brandende zon gehangen moet worden, want een zangvogel, die niet zingt, heeft het beslist niet naar zijn zin. De beste plaats voor een kooi is op het Zuid-Oosten of het Zuid-Westen.
Typisch is, dat het houden van vogels een bij uitstek mannenhobby is, terwijl in Amerika deze hobby voor 90 procent door vrouwen wordt beoefend.
Het beste wordt de kooi op een kast of een stevige standaard bevestigd. Kooien aan een ketting deugen niet, want bij de minste of geringste aanraking slingert de kooi heen en weer. Een andere mogelijkheid voor het houden van vogels is de vitrine.
Bij de vitrine is het gaas grotendeels vervangen door glas, zodat het hinderlijke gezicht van het gaas weg is.
Wel moet hierbij gezegd worden, dat één kant, bijv. de bovenkant, van gaas blijft voor de ventilatie. Een andere mogelijkheid voor het huisvesten van vogels is een geheel open kooi. Hierbij moet dan gezorgd worden, dat de kooi verlicht is en de omgeving van de kooi donker, zodat de vogels in het licht blijven.
Deze mogelijkheid is natuurlijk praktisch niet uitvoerbaar in een normaal huis; hij wordt dan ook alleen toegepast in een dierentuin.
Na de behandeling van dit onderdeel van de vogelliefhebberij hoop ik de volgende keer een ander deel ervan te behandelen.

Maarten van IJk.

P U K S   P E I N S   P A G I N A

De oplossing van het kruiswoordraadsel in de Puk voor de vorige Puk moest zijn: horizontaal: 1. luis, galop, vaag, 2 koper, lover, 3 op, komkommer, bij, 4 dis, es, ps, bes, 5 atol, per, taak, 6 knus, morel, fret, 7 ooi, beramen, ore, 8 flirt, enorm, 9 oom, geraden, ets, 10 meet, lenin, stut, 11 heel, toe, hier, 12 sol, as, mr, rel, 13 me. handelaar, nu, 14 larie, amper, 15 draf, knots, mast
verticaal: 1 lood, kolom, smid, 2 piano, oehoe, 3 ik, stuifmeel, la, 4 mok, os, te, kaf, 5 poel, big, laar, 6 gems, merel, snik, 7 ark, portret, den, 8 opera, anode, 9 olm, remedie, lat, 10 pomp, lenen, mams, 11 vest, non, krap, 12 ver, af, si, rem, 13 ar, barometer, ra, 14 beker, turen, 15 grijs, tekst, luit.
Betty Pannekoek ontvangt hiervoor een boekenbon.
De oplossing van de vorige Puks Peins Pagina moest zijn: UITING. Hiervoor ontvangt Jaap van der Leer een boekenbon. Voor het volgende raadsel wordt ook weer een boekenbon uitgeloofd:
Een zaterdagavond, half twaalf, was ik als laatste hobbyïst op de HC, zodat ik de taak had om het gebouw te sluiten. Een nijver lid – er zijn vele nijvere leden, zelfs 's avonds laat nog – had al heel wat elektriciteitsgroepen uitgedaan behalve o.a. die van de ruimte waarin ik bezig was, chemie. En juist toen ik op 't punt stond de deur van chemie te sluiten, hoorde ik een vreemd geluid, dat op dat moment ondefinieerbaar was, zowel wat de wijze waarop het werd gemaakt betreft, als wat de plaats, vanwaar het kwam, betreft. Het eerst keek ik buiten. Dit leek mij het veiligst. Mijn ogen dwaalden over de donkere, slechts hier en daar van de gevallen regen glinsterende dakpannen, verlicht door de maan. Niets ontwaarde ik in deze schemering. Wéér hoorde ik dat geluid; ik merkte nu, dat het iets had van een metalen klank, van het slaan van een hamer op koper. Hol weerklonk dit droefgeestig, vreeswekkend geluid door de Hobby Club. Onzeker, twijfelend stond ik daar… plots nam ik een besluit, ik ging naar de bestuurskamer, draaide al het licht aan en liep naar een deel van het gebouw. Daar werd alles mij duidelijk……..
Aan U, puzzelaar, de taak om uit te vinden, wat ik toen zag. Als je geen woord over het hoofd hebt gezien, kun je eruit komen!

Kees Snoek.