Hobby Puk, 11e jaargang, no 1

 

11e jaargang no 1.
Clublokaal


Redactie adres:


Secretariaat H. C. D.

Gironummer H. C. D.
Adviseuse:
Adviseur:
februari 1967.
Zolder Prinses Ireneschool,
Ingang Christiaan de Wetstraat,
wo. 7-10, za. 2-5 en 7-10 uur.
Lies Wiessner,
Nassauweg 64,
Dordrecht.
Wim Wiessner,
Nassauweg 64.
601060 t. n. v. de penningmeester.
Margreet de Waard
Gijs van Aardenne

Bij overname van de copy uit de Hobby Puk stelt de redactie het op prijs een present exemplaar van het betreffende blad te ontvangen.

Met een maand vertraging is hier dan eindelijk de nieuwe Hobby Puk. Door de nieuwe wijze van samenstellen is het formaat typen overbodig gebleken, zodat wij hopen dat de nieuwe eindelijk een kwartaa1-blad kan worden. Met ingang van het nieuwe jaar is Anton v. d. Laan hoofdredacteur geworden. De redactie ziet er nu als volgt uit;

Anton v. d. Laan               hoofdredacteur
Lies Wiessner
Louise Kieboom
Siem v. d. Hoeve
Hélène Kempe
Kees Snoek

Technise staf;

Daan Tits

Advertenties;

Hugo de Koningh, Bram v. d. Kade , Steve Stehouwer.

Verzending

Han Boumans.

De redactie dankt Mevr. v. IJk voor haar medewerking en Dhr Stehouwer voor het gebruik van typemachines op diens kantoor.
Zoals altijd houdt de redactie zich aanbevolen voor copy en tekeningen.
Helaas hebben Louise Kieboom, Bram v. d. Kade, Steve Stehouwer hun lidmaatschap opgezegd.

Deredactie dankt hen voor hun medewerking.

Kees Aaldijk,
Eindredacteur.

Het op de ledenvergadering van 14 januari 1967 gekozen is als volgt samengesteld;

Voorzitter;
Vice voorzitter;
Secretaris ;
Secretaris; 2e
Penningmeester;
Arch. Bibl;
Mat. commissaris;
Alg. Adjunkt;
Lid;
Kees Ruurs
Maarten van IJk
Wim Wiessner
Daan Tits
Huib v. d. Weiden
Frank Noordzij
Hans v. d. Wiel
Lineke Wolkenfelt
Kees Aaldijk

Zaterdag 4 februari heeft de U. F. O. Groep Puttershoek op de H. C. een lezing gehouden.
Hoewel de belangstelling niet al te groot was is de avond zeer geslaagd geweest, wat wel mag blijken uit het feit dat de laatste aanwezigen al discussiërend om kwart voor twaalf het gebouw verlieten.

In verband met de geringe belangstelling voor de Hobby Puk en de hieruit voortdurende onmogelijkheid om het blad geregeld uit te laten komen heeft het bestuur besloten er een jaarblad van te maken, en uitsluitend studierubrieken e. d. op te nemen. Er zal geprobeerd worden maandelijks een mededelingen-blaadje uit te laten komen.

Transistoren deel III.
We zijn nu bijna zover dat we aan de eigenlijke transistoren kunnen beginnen.
Eerst zijn hier echter enkele correcties van foutjes welke er in deel II geslopen zijn.
Op pagina 24 van de Hobby Puk winter 1966 is een zin wat gekortwiekt. De betreffende zin had moeten luiden: "Er kan b. v. een constante stroom van 100mA door een diode lopen met daarop gesuperponeerd een signaalstroom van ± 1 mA. "
Differentiaal grootheden worden, zoals gezegd, aangeduid met kleine letters.
Het gebruik van hoofdletter "R" in de uitdrukking was dus onjuist.

Ik ben er zeker van dat Herr. Ohm niet al te zeer zou kunnen instemmen met het bijschrift van figuur II -2
Dat had dus moeten zijn

En dan nu op naar de transistor!
Daarvoor gaan we even terug naar deel I in het voorjaarsnummer van 1965.
We hebben daar kennis gemaakt met de in sperrichting aangesloten lagendiode, fig. 4 aldaar, of fig. III -1 in deze aflevering. In het N-germanium is een ruime hoeveelheid vrije elektronen aanwezig en evenzo in get P-germanium een flink aantal vrije gaten.
Evenwel loopt er geen stroom omdat de elektronen van de grenslaag worden gehouden door de positieve pool van de batterij en de negatieve pool. Lees eventueel het betreffende gedeelte nog maar eens na ! We hebben daar dus ook gezien dat een enkel gat dat door warmtewerking ( thermische agitatie ) in het N-germanium ontstaat direct naar het negatief geladen P-germanium getrokken wordt, als het ware de hobbel af.
Veronderstel nu dat we met een soort injectiespuit gaten zouden injecteren in het N- germanium, dan zouden ook deze naar het P- Germanium stromen.

 

Fig. III-2 Schematische voorstelling van een transistor.

In deze richting is de weerstand van de emitter-basis diode erg laag. Er zal dus een betrekkelijk grote stroom vloeien van emitter naar basis.
In feite is de weerstand RE opgenomen om deze stroom binnen veilige grenzen te houden.
Omdat de vrije ladingsdragers in de emitter overwegend gaten zijn zal er een constante stroom van gaten vanuit de emitter in de dunne basis vloeien.
Nu is deze basis zo dun gemaakt dat praktisch alle gaten in de collector verdwijnen ( de hobbel af), voordat ze kans zien om naar de basis aansluiting te lopen en daar te recombineren met elektronen vanuit de emitter-basis batterij.
In de collector beland stromen de gaten naar de collector aansluiting en recombineren daar met elektronen vanuit de basiscollector batterij.
Slechts een klein gedeelte van de emitter stroom keert dus direct terug via de basis naar de negatieve pool van de emitterbasis batterij.
Het grootste gedeelte neemt een omweg via collector en basis collector batterij.

Noemen we de stroom welke in de emitter loopt de emitter-stroom Ie, de stroom welke uit de collector komt de collectorstroom Ic, en de kleine stroom uit de basis de basisstroom Ib, dan geldt uiteraard:

Ie= Ib + Ic (1)

De verhouding tussen de collectorstroom Ic en de emitter-stroom Ie wordt aangeduid met de Griekse letter α

(2)

en ligt in een goede transistor heel dicht bij I, maar is dus altijd iets kleiner dan 1.
De verhouding tussen de collectorstroom Ic en de basis-stroom Ib wordt aangeduid met de Griekse letter ß

(3)

Ib is, zoals we gezien hebben veel kleiner dan Ic.
ß zal dus vrij grote waarde hebben, meestal in de buurt van 100.

Uit de bovenstaande uitdrukkingen 1, 2 en 3 kunnen we nog een verband afleiden tussen α en ß.

Is b. v. ß = 0, 99 , dan is ß

Laten we nu nog even herhalen wat we nu hebben, n. l. een transistor met 3 aansluitingen:
emitter - basis - collector -.
De emitter en basis vormen samen een diode en we sturen een stroom in de emitter, in de doorlaatrichting van de diode.
De spanning welke we tussen emitter en basis zien verschijnen als gevolg van de stroom welke we er in sturen is precies zo als in geval van een simpele diode, zie b. v. fig. II-1 in de vorige aflevering.

Dit is in fig. III-3 nogmaals aangegeven, speciaal voor dit geval.

Fig. III-3. Spanning tussen emitter en basis, Ueb, als functie van de emitterstroom Ie.

Er is dus zeker geen lineair verband tussen ingangstroom en ingangsspanning.
De ingangsspanning is sterk niet - lineair.
We kunnen weer de ingangs weerstand voor kleine veranderingen van de emitterstroom beschouwen, ofwel de inangsdifferentiaal weerstand re.

Hiervoor geldt weer:

De ingangs differentiaal weerstand is dus in 't algemeen laag.
Het verschil met het geval van een diode is nu dat de stroom ingaande in de emitter, er niet bij de basis weer uitkomt, maar pas bij de collector.
Slechts een zeer klein gedeelte, ongeveer Ie, komt uit de basis.
De diode gevormd door basis en collector is normaal in sperrichting aangesloten.
We kunnen nu de vraag stellen hoe de werking van de transistor af zal hangen van de grootte van de spanning op de collector.
Omdat de collector alleen maar de gaten verzamelt, opvangt welke door de emitter in het basisgebied gebracht worden lijkt het waarschijnlijk dat de invloed van de collectorspanning op de collectorstroom zeer gering is.
Dat dit inderdaad waar is blijkt wel uit de karakteristieken van Ic versus Ucb voor verschillende waarden van Ie, zie fig.

Fig. III-4. Collectorstroom Ic als functie van de spanning tussen collector
en basis, Ucb, voor verschillende waarden van Ie.

Voor een bepaalde waarde ven de emitterstroom Ie, b. v. 7mA is de resulterende collectorstroom paktisch gelijk aan die waarde, onafhankelijk van de grootte van de negatieve collectorspanning.
We zien dat de transistor zelfs nog werkt bij een geringe positieve collectorspanning.
Dat begrijpen we als we ons realiseren dat een diode in doorlaatrichting pas begint te geleiden als de spanning 0,7 of 0,3V overschrijdt bij respectievelijk silicium of germanium diodes.
De karakteristieken van fig. III-4 zijn dus blijkbaar van een silicium transistor.
In fig. III-4 zouden we ook de curve kunnen tekenen voor een emitterstroom Ie = 0.
Dat is dan niets anders dan de diode karakteristiek van de basis - collector diode!
Denk daar maar eens een poosje over na.

Wat is nu de betekenis van het feit dat de collectorstroom praktisch niet afhangt van de grootte van de collectorspanning? Het betekent dat de collectorstroom - of uitgangstroom ook niet beinvloed wordt door het opnemen van een grote of kleine weerstand in het collectorcircuit.
De transistor gedraagt zich als een stroombron, met een hoge inwendige weerstand. Dit wordt ook wel uitgedeukt door te zeggen dat de uitgangsweerstand erg hoog is.

Een transistorschakeling waarbij de ingang gevormd wordt door een gemeenschappelijke basis wordt een gemeenschappelijke - basis schakeling genoemd, ook wel geaarde basis schakeling.
De gemeenschappelijke – basis schakeling heeft dus een lage ingangsweerstand en een hoge uitgangsweerstand.
Hier stamt ook de naam transistor van af. Namelijk is het een samentrekking van de Engelse woorden transfer resistor - Overdrachts weerstand.
We kunnen de transistor in deze schakeling dus zien als een element waar heel gemakkelijk een stroom in te sturen is, maar als deze stroom aan de uitgang verschijnt is ze niet meer tegen te houden.
We voelen hier het versterkingselement aan.

Naast de gemeenschappelijke - basis schakeling onderscheiden we de gemeenschappelijke - emitter en de gemeenschappelijke - collector schakeling.
Daar komen we later op terug.

Tot slot van deze aflevering zij nog vermeld dat er een tweede soort transistoren bestaat, n. l. N. P. N. transistoren, naast de P. N. P. transistoren welke we hier aan een nauwgezet onderzoek ontworpen hebben.
De discussie gaat volledig op voor elektronen in een N. P. N. transistor.
In het ontwerpen van schakelingen met transistoren is het een groot voordeel beide soorten ter beschikking te hebben.
Volgende keer zullen we onderzoeken hoe we aan transistoren schakelingen kunnen rekenen.
Daarna zullen we ook wat praktische toepassingen beschouwen. Tot dan.

Arend Kastelein (U. S. A. ).

Zaterdagmiddag, 8 oktober hebben enkele bestuursleden van de U. F. O. groep Puttershoek een bezoek gebracht aan de Hobby Club. Deze groep onderhoudt internationale contacten met andere organisaties op dit terrein.
Ze verrichten practische onderzoekingen op allerlei gebied, om te komen tot een wetenschappelijk gefundeerde mening over U. F. O. 's. Het is dus beslist niet zo dat zij het bestaan van vliegende schotels als uitgangspunt beschouwen. Er is besloten op verschillende gebieden met de U. F. O. groep Puttershoek tot samenwerking te komen. Over de uiteindelijke vorm van deze samenwerking moet nog gesproken worden. Enkele voorlopige punten zijn;
Het onbeperkt, met bron vermelding overnemen van artikelen uit de wederzijdse verenigingsorganen (Spiegel der Ufologie).
Het houden van een lezing met films en gelegenheid tot discussie door de U. F. O. groep Puttershoek.
Het maken van meet apparatuur door de H. C. voor het doen van waarnemingen.
Belangstellende kunnen bij mij nadere inlichtingen verkrijgen. De leeftijd van de leden van de U. F. O. groep is ongeveer gelijk aan die van de Hobby Club.

Kees Aaldijk.

Aangezien wij op 22 oktober j. 1. een oprichters vergadering hebben gehad, zou ik gaarne het volgende toelichten.

De belangstelling voor de afdeling biologie was nu niet bepaald groot. Dat kon ik tenminste opmaken uit het aantal aanwezigen. De volgende personen zijn geweest; Emmy Wiessner, Jaap Timmerman, Dick v. d. Knaap, Kees Aaldijk en ik. Jaap en Dick zijn lid geworden om de oprichting mogelijk te maken. Dick v. d. Knaap zal voor de chemicaliën zorgen. Als er binnenkort niet meer leden voor deze afdeling "afgericht" moeten worden. Dus vraag ik degenen die belangstelling hebben voor deze afdeling zich zo spoedig mogelijk willen melden bij de Heer K. Aaldijk. Misschien wisten jullie niet dat de vergadering op de 22ste om 10 uur is geweest, of vonden het de moeite niet waard We hebben Camille bereid gevonden adviseur te worden. Ook hebben we contact opgenomen met de Nederlandse Jeugdbond van Natuurstudie afdeling Dordrecht. (N. J. N. ).

Hélène Kempe.

Voor de tweede keer is de afdeling toneel opgericht. Deze afdeling werd voor de eerste maal in het oude gebouw opgericht, wat toen helaas geen succes werd. Hopelijk zal het deze keer beter gaan, de toneelgroep doet er tenminste zijn best voor. (vorige instructeur ook a. v. d. laan).
Als eerste stuk is de komedie "Pimmetje" gekozen. Er is een leden stop voor de jongens geheven. , omdat het te vol wordt bij de repetities. De naam der toneelgroep is DIONYSUS, dit is afgeleid van het Griekse theater. Wat afkomstig is van de wijnfeesten en de wijnfeesten van de wijngod, BACHUS. De afdeling toneel wil de bouwcommissie en de anderen die meegeholpen hebben met het podium en de zaal hartelijk bedanken voor hun medewerking.

De instructeurs B. v. d. Kade en S. B. Stehouwer

 

Zaterdag, 16 juli 1966.

Vol goede moed vertrok 's ochtends vroeg om half negen een groepje Hobbianen. Na de overtocht bij Papendrecht gingen de brommers en de fietsers uiteen. Voor die laatsten was het weer nogal gunstig tot ze in Hoogblokland (enig idee, waar dat ligt) aankwamen. Gelukkig was er in dat gehucht nog een café (hoe bestaat het!), waar wij onder het genot van een kopje koffie uitrustten. Om half vier kwamen wij eindelijk in Maarn aan, vier uur na de brommers. Tenten werden opgezet, de omgeving werd "verkend" en ieder was tevreden met het veroverde stukje grasveld. 's-Avonds werd het huis bezichtigd. Twee Hobbianen bleven daar slapen. Hierna legden wij ons ter ruste.

Zondag, 17 juli 1966.

's-Ochtends kwam de één na de andere met een slaperig gezicht uit bed en spoedde zich naar de pomp om weer opgewekt deel te nemen aan het ontbijt. Naar eigen vrije verkiezing werd de ochtend doorgebracht. 's-Middags aten wij aardappelen met sla (hulde aan de kok Kees Aaldijk). Na fiets of brommer gepakt te hebben, ging de reis naar één van Utrechts vennen en een beelden tentoonstelling. Tevreden gingen wij weer naar het kamp terug. 's-Avonds werd een dorpwandeling gemaakt waarbij door één de Hobbianen inspiratie werd gevonden voor een gedicht. Op kosten der H. C. D. werd patates frites genuttigd, waarna de terugtocht werd aanvaard. Wel voldaan legden men zich ter ruste……. .

Maandag 18 juli 1966.

Vandaag was het een spelletjes dag.
Met een natuur- en dieren spel werden we 's- ochtends bezig gehouden, waarbij ieder zich naar hartelust amuseerde. Om hiervan uit te rusten was men 's-middags vrij te doen wat men wilde. Wolken pakten zich echter samen, en de eerste regendruppels vielen………
Zodoende werd besloten de avond in het huis door te brengen met natuurlijk………. spelletjes.
Elkeen vermaakte zich best. Na deze spelletjes legde men zich moede in Morpheus armen………

Dinsdag, 19 juli 1966.

Fris en opgewekt hebben we ontbeten. De kampleiding had besloten een reisje naar Utrecht te maken om de culturele kennis van deze stad te vergroten. Daartoe werd de Dom beklommen, en werden wij rondgeleid. Ietwat duizelig kwamen wij weer beneden Hierna konden we iets gebruiken en op eigen gelegenheid de stad bekijken. 's-Avonds werd het kamp opgeschrikt door een stortbui, zo hevig, dat wel haast alle Hobbianen hun toevlucht zochten tot het huis, alles meenemende wat nog uit de waterstroom te redden viel. Men sliep in, en droomde van wolkbreuken, onweersbuien en meer van die natte dingen. .

Woensdag, 20 juli 1966.

Iedere redelijke kampeerder zou allang gevlucht zijn, maar de H. C. D. hield vol!
Men ging, toen het nog droog was een tocht maken rond Maarn, maar later moesten we het vege lijf redden voor de buien, waardoor we werden geplaagd. Toch wanhoopten de H. C. D. ers niet, de avonden werden weer opgevrolijkt door muziek gebracht door Dick v. d. Knaap en Kees Ruurs. (bravo) Denkende aan zonneschijn sliep men in……….

Donderdag, 21 juli 1966.

Er was niks aan te doen, we zouden vertrekken. Dit werd besloten na het K. N. M. I. opgebeld te hebben, die dus niet veel goeds voorspelde. Na het laatste ontbijt gingen wij ons gereed maken voor de reis. Tenten werden afgebroken spullen gepakt en met een laatste blik op "Wat ons kamp was" , vertrokken we in jeep van de Gem. Dordt en de auto's van de Heer Ruurs en de Heer Walvis. (Dank U!). Op kosten van de Heer Ruurs werden croquetten geconsumeerd (Dank U, meneer Ruurs).
Spoedig arriveerden wij in ons dierbare Dordrecht. Denkend aan het gezellige H. C. kamp, fietsten wij huiswaards.

C. H. Snoek.

Zaterdag, 29 oktober 1966

Tot ieders genoegen waren deze keer auto's beschikbaar om de lange weg naar Maarn af te leggen. Enkele onzer herinnerden zich immers nog goed de tocht naar het vorige kamp in Maarn, waarbij zij aan de gevaren des verkeers en aan het weder waren blootgesteld. Klokke half tien arriveerden de eersten in barre koude. Enige trouwe Hobbianen offerden zich op een stuk bos voor de kachel te kappen. Het gelaat bedekt met ijspegels, traden zij de kamer binnen, welhaast bezwijkend onder het gewicht van de stapels houtblokken.
Met bebloede hoofden werd de kachel aangemaakt. Sommigen der Hobbianen bezweken hier eilaas bij; dit waren de eersten, die ons tijdens dit kamp ontvielen.
Degenen, die om 2 uur waren vertrokken, kwamen klokke halfvier aan, waarzij tot hun groot genoegen de kachel brandend en het voor sommigen zo dierbare huis, temidden van de bomen in alle kleuren van de herfst getint, zagen. Hierna werd de omgeving verkend. Op weg naar het plaatselijke winkelcentrum ontwaarden wij een auto, die razend naderbij kwam. Naar alle waarschijnlijkheid was de bestuurder dronken of geestelijk in de war, want het had maar weinig gescheeld, of wederom waren een paar onzer kamaraden uit ons midden genomen……………
Toen ieder van de schrik was bekomen, naderden twee fietsende vrouwelijke in gezetenen van Maarn. Dick Roukema nam zijn hoed in zijn hand, zwaaide uitbundig naar hen en bleef nog lang in gedachten verzonken voor zich uit staren. . . . . . . . …… Na een blok hout voor het kampvuur gepakt te hebben, werd de terugtocht aanvaard.
Voor de avond werd besloten een dropping te houden. Gijs en Anke brachten zes groepen weg.
Filosoof Roukema zei hierover: "Het wegbrengen was een zeer enerverende gebeurtenis, daar wij met zijn zessen in een volkswagen zaten en de chauffeur bijzonder ruig reed om ons in de war te brengen. Eilaas gelukte dit niet, zodat wij ondanks het feit, dat wij dwars door bos en heide gingen, de terugtocht voor intellect tè gemakkelijk bleek", aldus de filosoof (Roukema). Van deze groepen bezweek ****** ******…………
Denkende aan de slachtoffers van deze dag, sliepen de Hobbianen in---------.

Zondag, 30 oktober 1966.

De ochtend zou fris beginnen met de conditietraining van Dick Roukema; eilaas ging dit niet door wegens bezwaren van de leden, die liever aardappelen gingen schillen tot Heil der H. C. D. !!
Wijnand deelde tot ieders blijdschap de taken uit. Elkeen ging bedrijvig aan de slag, vooral de opruimploeg, die hierbij een compliment verdient!
Na het middagmaal genuttigd te hebben, werd een vossen jacht georganiseerd. Ieder ging op pad en na een lange tijd kwam de een na de ander terug, waarvan groep 1 de vos had gevonden. Toen werd echter een groep gemist, die verdwaald bleek te zijn. Zij telefoneerde van uit de Kaapse Bossen, waarop zij spoedig gehaald werden met de auto. . . . . . .
De stakkerds strompelden steunend de wagen uit, terwijl zij verdwaasd om zich heen keken; met gestriemde gezichten sleepten zij zich voort. Een deerniswekkende stoet betrad het huis, waar hunne wonden, opgelopen tijdens hun barre tocht, werden verzorgd. . .
'Avonds werden aardappelen, appelmoes en nog een paar groenten gegeven. (Hulde aan de koks!)
Verzadigd en uitgerust gingen de Hobbianen op tocht naar een heuvelachtig terrein, waar een roversspel met de daarvoor aangewezen 5 rovers en 5 groepen zou worden gehouden. Hier volgt het relaas van een der groepen:
"Wij stapten op de bemoste, glibberige grond voort, terwijl wij ons bukten voor de zwiepende takken. In de verte hoorden wij een hond blaffen, een akelig geluid deed ons bloed in de aderen stollen. Plots---- een schim, die schichtig om zich heen keek, wij omsingelden hem met als gevolg, dat hij zich met een grauw, die niets menselijks meer had, op ons stortte. Een bloeddorstige strijd ontbrande; de hond uit de verte hield uit verbazing op te blaffen, een afschuwlijke kreet volgde op de schittering van het mes van de rover. Het was afgelopen met een onzer leden-----", aldus een der groepen. Hierna werd de terugtocht aanvaard. Nadat ieder een thee en een boterham ter versterking genuttigd had, stelde een niet nader te noemen persoon in dat middernachtelijk uur voor nog een wandeling te gaan maken tot ieders instemming, behalve die van de Kampleiding en U weet----- dat is bindend voor de gang van zaken. Maar enfin, ieder legde zich "gewillig" ter ruste om de volgende morgen weer fit te kunnen beginnen met hout hakken---

---------

Maandag, 31 oktober 1966.

Een voor een kwamen de Hobby Club-leden de trap af. Zij betraden met een slaperig gezicht de kamer of de keuken, waar zij enige zeer vroeg opgestane leden ontwaarden om dan te gaan zitten in een gerieflijke stoel. Zij warmden zich bij de behaaglijk brandende kachel, waarna zij vroegen, wanneer er gegeten zou worden.
Enkele corveeërs smeerden de boterhammen waarna er ontbeten werd, zodra de laatste Hobbianen uit bed of slaapzak waren getrommeld, gesleept of gerukt.
Na het ontbijt gingen vele Hobbianen naar het automuseum in Driebergen, waar hun kennis dusdanig werd verrijkt, dat zij geestelijk verkwikt wederom thuis kwamen. In de middag vertrokken de Hobbianen een voor een, na een laatste weemoedige blik op het huis te hebben geworpen.
Op weg naar huis heerste er enige stilte, want ieder dacht aan de doorgebrachte kampdagen, die toch zò gezellig waren geweest.
Van lieverlede doemde in de verte de ons dierbare Grote Kerk op; men arriveerde bij de Hobby Club, vanwaar de Hobbianen met een laatste groet uiteen gingen om naar huis te gaan en de rest van hun vakantie door te brengen-----------------.

H. C. Snoek.

"HOBBY CLUB DORDRECHT"
Oranjevrijstaatplein
Secretariaat: Nassauweg 64

Jaarverslag over het jaar 1966

Aan het begin van het jaar 1966 bestond het bestuur uit:

Voorz: Kees Ruurs
V. Voorz. : Dick Roukema
Secr: Margreet de Waard
2 e. Secr: Miel Ooyen
Penn: Jaap Timmermans
2e Penn: Wijnand Camerling
Alg. Ad: Dick v. d. Knaap
 

Het bestuur heeft dit jaar 20 maal vergaderd , terwijl de instructeurs 9 maal bijeenkwamen. Op de laatste vergadering van het jaar 1965 was besloten de verhuizing van Hellingen 7 naar Oranjevrijstaatplein nog in de kerstvakantie te laten plaatsvinden. hieraan werd met man en macht gewerkt , zodat al spoedig alles was waar het wezen moest. Ook de verbouwers lieten zich niet onbetuigd , muren verrezen en vloeren werden gelegd. De afdelingen lagen in het begin van het jaar geheel stil, alleen afdeling astronomie toonde nog enige activiteit in de vorm van een excursie naar Den Haag en enkele geslaagde waarnemingen.
Omstreeks februari verscheen van de hand van de geestelijke vader van de Hobby Club , een geheel hernieuwd Hobbyclubboek. Dit had tot gevolg , dat vele jongens en meisjes elders uit het land Hobby Clubs wilden oprichten.
In maart werd de eerste en enige algemene ledenvergadering gehouden, waarbij tevens een nieuw bestuur werd gekozen. Het gekozen bestuur, aan gevuld met archivaris-bibliothecaris en materiaalcommissaris bestond uit:

Voorz:Kees Ruurs
V. Voorz. :Dick Walvis
Secr:Wim Wiessner
2 e. Secr: Ton v. d. Laan
 
Penn: Jaap Timmermans
2ePenn:Daan Tits
Alg. Ad:dick Roukema
Arg. Bibl:Dick v. d. Knaap
Mat. Com: Hans v. d. Wiel

Om de verbouwing wat georganiseerder te laten verlopen werd uit enkele leden een bouwcommissie gevormd, welke reeds snel vruchten afwierp.
Op 30 april werden er weer pleinspelen gehouden. De algemene leiding was in handen van Jaap Timmermans, die samen met de andere H. C. leden de pleinfeesten tot een groots feest voor de kinderen maakten.
Ook van kampen was de H. C. weer goed voorzien, dit jaar zijn er 3 gehouden, als eerste het pinksterkamp , dat traditiegetrouw gehouden werd op de Wildert en een bijzonder groot succes is geweest , evenals het zomer kamp, gehouden in Maarn , hoewel dit laatste wegens de regen vroegtijdig moest eindigen.
Van hard werken in de zomervakantie is vrijwel niets gekomen. Er was steeds een onregelmatig aantal leden en niet leden aanwezig , die niet van zins waren om te werken( uitzonderingen daar gelaten) . Dit was voor het bestuur aanleiding maatregelen te treffen. Daarom werd op voorstel van Kees Ruurs een discussieavond uitgeschreven, om de leden wat meer bij de organisatie te betrekken. Deze discussieavond werd een groot succes van de leden was een zeer grote belangstelling. Daarom werd op 8 november weer een discussieavond gehouden. Hierbij konden de leden, in groepen van 8, voorstellen naar voren brengen, die ze in de toekomst verwezenlijkt wilden zien.
Eindelijk begon er weer schot in de verbouwing te komen. De belangrijkste muren waren vrijwel klaar, overal werden tafels gemaakt en in november konden de plafonds gelegd worden.
Inmiddels kwamen ook de afdelingen weer op gang. De H. C. werd verrijkt met 2 nieuwe afdelingen: Motoren en Biologie.
Het derde en laatste kamp , het herfstkamp, werd gehouden van 29 tot en met 31 oktober in Maarn. Dit kamp werd mede dankzij het weer en de voosjacht het meest geslaagde kamp van het jaar.
Op 12 november kwam de stichting op de zolder vergaderen.
De op de laatste discussieavond beloofde gezellige avond werd op 23 december een feit. Het werd een groot succes.
Aan het eind van het jaar bestond het bestuur na enkele tussentijdse wijzigingen uit:

Voorz: Kees Ruurs
V. Voorz. : Maarten van IJK
Secr: Wim Wiessner
2 Secr: Lineke Wolkenfelt
 
Arg. Bibl: Dick v. d. Knaap
Alg. Ad: Kees Aaldijk
Mat. Com: Hans v. d. Wiel
Penn: Jaap Timmermans
2 Penn: Daan Tits

Met een zeer spoedige opening voor ogen mogen we zeggen , dat het jaar 1966, ondanks de tegenslagen een zeer gunstig jaar voor de HOBBY CLUB geweest is.

Wim Wiessner
Secretaris.

Door verscheidene reacties, die meenden dat de stukjes van de dierenrubriek te schools waren, heb ik besloten de dierenrubriek een ander karakter te geven, meer dat van wetenswaardigheden. Hopende dat dit beter in de smaak valt, laat ik jullie het nieuwe naar direkt proeven;

Wisten jullie dat:
Een doorgesneden worm in een potje met aarde gestopt na verloop van enige weken veranderd is in twee hele wormen.
Een haas sprongen kan maken van 3-4 meter en in zijn vlucht een snelheid haalt van 40-50 km per uur.
De pens van een koe een inhoud heeft van 2 0 liter.
De darm van een schaap een lengte heeft van 28 meter.
De hartslag van de kolibrie 1000 maal per minuut bedraagt.
Het aantal vleugelslagen van een duif 8 per seconde bedraagt, en van een bromvlieg en een mug 300 per seconde.
Zwaluwen, ganzen en eenden meer dan 100 km per uur vliegen.
Bij de havik in glijvlucht 288 km/u is genoteerd.
Een goed bijenvolk 40 tot 100 pond honing per jaar op kan leveren
Een lintworm meer dan 10 meter lang kan worden en dan ruim 700.00 eieren per dag levert.
De oppervlakte van een totaal gedemonteerde en vlakgelegde mensenlong ongeveer 90 m2 bedraagt en die van de huid van de mens slechts 1,5 m2.
Een gemiddelde koe (goede) ongeveer 6000 liter melk per jaar geeft.
De Amerikaanse Brontosaurus 20-30 meter lang werd, meer dan 40 ton woog en zijn kop meer dan 10 meter in de lucht kon steken.
Een Stegosaurus het formaat had van een tegenwoordige olifant maar dat zijn hersenen zo groot als een walnoot waren.
Een Mammoet nauwelijks groter was dan een volwassen olifant.
De bacterien geen dieren, maar een plantensoort zijn.

Jullie snappen natuurlijk wel dat dit soort feiten beperkt is bij mij en dat het thema in andere zin opgezet zal worden in fijnere détails.

C. Ooyen.

Nieuwe gereedschappen en materialen worden op korte termijn besteld. Er zijn al verschillende tafels klaar. Het maken van de werkbanken zal tot mijn spijt nog wel even op zich laten wachten, vanwegen het opbouwen en inrichten van het magazijn.
We hopen bankschroeven op scheepssloperijen te kunnen kopen Voor de metaalafdeling hopen we een kleine draaibank aan te schaffen. Er wordt ook een goede slijpsteen met aandrijving aangeschaft, zodat we de gereedschappen zoals beitels en schroevedraaiers in goede staat kunnen brengen en houden.
De slijpsteen die we nu hebben is niet geschikt voor gebruik er enkele scheurtjes in zitten zodat het gevaarlijk is deze steen te gebruiken. De nieuwe slijpsteen bestaat uit een stalen voet, waarop de elektromotor met aan weerszijden een slijpsteen is bevestigd, de hoogte bedraagt ongeveer 85 cm.

Hans v. d. Wiel.

Nu er op de Hobbyclub weer kan worden vergroot in onze doka, wil ik, om het geheugen van de oudere leden weer wat op te frissen, en om de nieuwe leden wat beginselen bij te brengen, het vergrotingsprocédé behandelen.
1. Laten we eerst eens het vergrotingsapparaat bekijken: De drie hoofdonderdelen zijn: grondplank, zuil en lampenhuis. Over de grondplank is weinig te zeggen, over de twee andere delen des te meer.
Waarom staat de zuil scheef? Stel je eens voor, dat de zuil loodrecht op de grondplank stond;dan zou het middelpunt van het beeld, onverschillig op welke hoogte het lampenhuis staat, steeds op dezelfde plaats op de grondplank vallen, maar bij een sterke vergroting (hooggeplaatstlampenhuis) valt de rand van het beeld af tegen de zuil. Indien de zuil nu schuin staat, ligt bij sterke vergroting het middelpunt van het beeld verder van de zuil en zo is deze moeilijkheid opgelost. Bovenin het lampenhuis bevindt zich de vergrotingslamp. Deze lamp kan zowel een melkglazenballon hebben als een heldere ballon. Bij een melkglazenballon is het lichtgevend oppervlak groter dan bij een heldere ballon, immers, bij deze laatste bestaat het lichtgevend oppervlak slechts uit de gloedraad van een lamp. Om de bepaalde redenen, die ik hier een puntvormige 1ichtbron een contrastrijker (harder) resultaat geeft dan het diffuse licht van een lamp met een melkglazen ballon (Callier-effect). Dit gaat echter niet meer op voor negatieven met een hoge algemene dekking (overbelichte negatieven) en natuurlijk werkt een lamp met een heldere ballon ook niet meer contrastrijk; wanneer er een opaalglazenplaat voor is aangebracht, zoals in ons 6x9 apparaat het geval is. Met licht van de vergrotingslamp verzamelen we op ons negatief met een enkele of dubbele condensor. Een enkele condensor bestaat uit een groot plat-bolle lens, een dubbele condensor uit twee van die lenzen boven elkaar, met de bolle kanten naar elkaar toe. De dubbele condensor bundelt het licht het sterkst en werkt dus het contrastrijkste. (In een diaprojector bevindt zich een condensor en wel tussen de lamp en de dia). Vlak onder de condensor bevindt zich de negatiefhouder. Voor kleine formaten is deze negatiefhouder glasloos en is het dus een eenvoudig raampje, waarin het negatief geklemd wordt.
De voordelen zijn: minder kans op krassen op het negatief, minder last van stofjes. Onze kleinbeeld Lissegang heeft een dergelijke negatiefhouder. Bij grotere formaten bestaat er echter gevaar, dat het negatief niet voldoende vlak ligt, En moet het tussen twee glasplaatjes geklemd worden. Dit is het geval bij, bijvoobeeld de negatiefhouder van onze Opemus (deze heeft bovendien enige schuifgordijntjes, waarmee een gedeelte van het negatief afgedekt kan worden). Onder de negatiefhouder hangt aan een balg een vergrotingsobjectief, dit objectief heeft voor kleinbeeld, 6x6 of 6x9 vergrotingsapparatenresp. brandpuntafstanden van ongeveer 50, 75 en 105 mm, dus evenlang als van de bijbehorende camera's.
In dit objectief zit een diafragma, maar geen sluiter. De belichtingstijden voor vergrotingspapier zijn zo lang, dat we belichten door de begrotingslamp d. m. v. een schakelaar in het snoer aan en uit te "knippen". Om dat bij een grotere afbeeldingsmaatstaf (groter beeld) de afstand groter is dan bij een kleinere afbeeldingsmaatstaf, moet er scherpgesteld kunnen worden. Dit doen we door het objectief d. m. v. de al eerder genoemde balg op grotere en kleinere afstand van het negatief te plaatsen. Hoe groter de afbeeldingsmaatstaf, hoe kleiner de afstand objectief-negatief.
Soms bevindt zich onder het objectief een weg te zwenken roodfilter. Dit dient om het vergrotingspapier, dat niet gevoelig is voor roodlicht bij ingeschakeld licht van de vergrotingslamp op de juiste plaats te leggen. (gebruik het nooit voor het regelen van de belichting Sommigen schakelen het licht in met het roodfilter voor de lens, zwenken het dan gedurende enige seconden weg, en draaien het dan weer voor het objectief. Door deze manipulatie kan echter het lampenhuis t. o. v. het vergrotingsbord met het papier, gaan bewegen, hetgeen natuurlijk onscherpte veroorzaken). Op de grondplank ligt meestal een vergrotinsbord. Hiermee leggen we het v vergrotingspapier vlak en bedekken we de randen ervan, om zodoende de bekende witte randen om de vergroting te krijgen.
2. Dan nu iets over ons gevoelig materiaal:
Vergrotingspapier kunnen we in vele soorten kopen. We hebben keuze, wat betreft:
a) Het formaat. 6x9, 9x13, 13x18, 18x24 cm, etc.
b) Het papieroppervlakte. glanzend , halfmat , mat, kristal, etc.
c) De kleur. wit, chamois.
d) De gradatie. zeer zacht, zacht , speciaal, normaal, hard, zeerhard.
e) De dikte. papierdun, kartondik.
Gebruik altijd kartondik. Niet veel duurder, wel veel beter.
Voor de scheikundige achtergrond van de werking van het vergrotingspapier verwijs ik naar mijn studierubriek in Hobby-Puk no. 1 van de tiende jaargang.
3. En dan nu de praktijk:
We zoeken ons negatief uit, bepalen op welk formaat het vergroot moet worden , en op welke kleur en oppervlakte. We nemen het betreffende pakje papier in de gradatie normaal, doen al het licht inde doka uit, behalve het veilige geel-groene licht, plaatsen het negatief in de negatiefhouder, draaien het diafragma geheel open, plaatsen het lampenbuis op de juiste hoogte, stellen scherp en draaien het diafragma naar de waarde f: 5, 6, of 8 ( met deze openingen hebben we meestal de grootste scherpte). Daarna nemen we een strook gevoelig papier en klemmen, dat op het vergrotingsbord. We bedekken het met bijv. een stukje karton, maar laten een stukje van enige centimeters open. Dat belichten we bijv. twee seconden. Dan schuiven we het karton etje twee centimeter op en belichten het nu vrijgekomen stuk (waarbij het al eerder belichte strookje dus ook zit) weer twee seconden. Zo gaan we door tot de hele strook is belicht in vier of vijf etappes. We hebben nu een blokje, dat twee seconden belicht is(het laatste stukje, dat vrijkwam) één van 4 seconden, één van 6 seconden etc. De aldus belichte strook leggen we in de ontwikkelaar, die we al van tevoren klaar gezet hebben. Die is op een temparatuur van 18 tot 20 graden C. We laten de strook hier 1½ à 2 minuten in liggen. (niet korter). Dan is de strook uit-ontwikkeld(hij wordt niet meer donkerder). We gaan nu het blokje bekijken, dat de juiste belichtingstijd heeft gehad. (dat is gemakkelijk te vinden). Het kan zijn, dat alles ons bevalt, het kan ook, dat we het contrast tussen lichte en donkere partijen te groot vinden(te hard) of juist te klein(te zacht). Dan nemen resp. zachter of harder papier(zie 2d) en maken nog eens zo'n zelfde strook, als we uiteindelijk een blokje hebben van de juiste gradatie en met de juiste belichting, maken we nog eens een hele strook. Als deze ons bevalt, kunnen we de definitieve vergroting maken. We klemmen het vel in ons vergrotingsbord, zorgen dat de randen, die wit worden aan alle kanten even breed zijn, leggen het bord nauwkeurig recht blazen het stof eraf en kijken nog eens of de beelduitsnijding ons bevalt. (we hoeven niet altijd het hele negatief te gebruiken) en of de scherpte wel 100% is. Als alles in orde is, belichten we het vel en laten het de vereiste tijd in de ontwikkelaar liggen(zorg voor verversing van de ontwikkelaar bij het papier , door b. v. de bak voorzichtig te schommelen); daarna een halve minuut in het stopbad en 10 minuten in de fixeer. (Voor recepten zie Charpentier, Prisma fotoboek). We kunnen ook nog tussen stopbad en fixeerbad een sodabad inlassen: we leggen ons vel enige minuten in een 1%-ige sodaoplossing, waardoor het zuur van stopbad en fixeer geneutraliseerd wordt. Dit bespaart ons later 50% van de spoeltijd.

Spoelen: Om alle chemicaliën uit het papier te krijgen moeten we het gaan spoelen. Dit duurt 3 kwartier à een uur. , mits het water goed doorstroomt. Er zijn vele methoden om deze doorstroming te bereiken.
a): Zet een emmer met vergrotingen in de gootsteen en laat het water er in lopen door een slang, die tot op de bodem van de emmer reikt.
4. De afwerking:
Na het spoelen laten we het water van de vergroting afdruipen en zemen hem af. Niet glanzende papieren hangen we nu gewoon met een wasknijper aan een puntje te drogen. Met glanzend papier kan dit ook(we krijgen dan een soort kruising van mat en glanzend vaak heel bruikbaar), maar meestal zullen we het met een glansapparaat willen behandelen, om de zo geliefde"hoogglans" (een germanisme) te krijgen. Daartoe leggen we het vel met de beeldzijde naar beneden op de verchroomde plaat van ons apparaat. Niet er op kwakken, maar langzaam er op leggen, beginnende aan één rand en zodoende luchtbellen tussen papier en plaat voorkomend. Daarna gaan we er met een gummirol overheen, beginnende aan de kant van het papier, waar we begonnen met het neerleggen en steeds één kant oprollend. Na 5 à 10 minuten "stoven" is hij klaar. Het kan zijn, dat er toch nog doffe spikkels op de vergroting zitten. Dan moet alles weer over en het papier moet eerst weer nat gemaakt worden. Wel kunnen we het behandelen in een hardend glansbad. Heel goed hiervoor is een formalineoplossing (30 cc formaline op 1 liter water), waar we tevens een "wetting-agent" aan toevoegen (b. v. een scheut lodaline). Zie voor uitgebreidere inlichtingen over het glanzen; Charpentier, Fototechniek (Prisma - Compendium), dit boek is voor nog vele andere fotografische onderwerpen een goed en goedkoop naslagwerk. De mogelijkheid bestaat, dat er na het drogen of glanzen nog witte spikkeltjes op de vergroting zitten ten gevolge van stofjes. Deze moeten worden geretoucheerd. Dit gebeurd met een fijn penseeltje en retoucheerverf (voor glanzende foto's het penseel steeds even over de gomkant van een etiket strijken). Goed retoucheren is niet gemakkelijk en kan het beste geleerd worden door het zien doen.
Het bespreken van het opzetten van foto's valt buiten het bestek van deze rubriek.
Nog enige losse opmerkingen:
Kromgetrokken foto's kan men weer vlak maken door de achterkant licht te bevochtigen en ze dan tussen schoon, wit papier, onder een stapel boeken te leggen. Foto's moet men opplakken met watervrije plakmiddelen (Leroadhesief, e. v. rijwielsolutie. ) Vergrotingen kunnen evenals negatieven versterkt en verzwakt worden: zie hiervoor het hierboven genoemde "Fototechniek" van Charpentier.
5. Speciale procédé's.
a).
We kunnen een speciale sfeer oproepen met "Low-key" en "high-key" vergrotingen. Bij "low-key" is de foto zeer donkerhoudend, op één of enige kleine lichte plekken na. Dit geeft meestal een sombere of ernstige sfeer. Techniek: een donker of karig verlicht onderwerp kiezen, donkere achtergrond, negatief krap belichten, normaal ontwikkelen, vergroten op papier met krachtige gradatie. Het tegenovergestelde effect bereikt men met een "high-key"- druk: een meestal vrolijke of tere sfeer door een vrijwel schaduwloze prent in zeer lichte tinten, met eventueel één of meer kleine lichte plek(ken). Techniek: onderwerp in lichte tinten, met zachte, diffusie, vrijwel schaduwloze verlichting. Negatief normaal belichten, zacht ontwikkeln, vergroting vrij lang ontwikkelen in sterk verdunde (ongeveer 1 : 20) metol-ontwikkelaar, waar een sluierwerende stof aan is toegevoegd.
b). Doordrukken en tegenhouden.
Het kan voorkomen, dat we voor een bepaalde vergroting de juiste belichtingstijd hebben gevonden, maar dat deze tijd te lang is voor een bepaald gedeelte van de negatief. Dit kleine geven we dan een extra dosis licht, waarbij de rest van het negatief afgedekt wordt (doordrukken). Dit afdekken doen we door een stuk karton, waarin we een gat van de juiste vorm geknipt hebben, ge durende het doorlichten in de lichtbundel te houden, met het gat boven de plaats, die moet worden doorgedrukt. We bewegen het heen en weer opdat we niet een zichtbaar overgang krijgen tussen het doorgedrukte en de rest. Het tegenhouden gaat precies omgekeerd. Gedurende een deel van de belichtingstijd bewegen we een stukje karton aan b. v. een breinaald boven het tegen te houden stuk van vergroting. Bij papieren met een variable gradatie (b. v. Ilford Multigrade) is er nog een ander soort van doordrukken en tegenhouden: als een bepaald gedeelte van een negatief eigenlijk een ander gradatie papier moet hebben dan de rest, belichten we dit met een ander contrastfilter voor de lens.
c). Toonscheiding.
We kennen veel procédés om de gradatie in de schaduwpartijen en in de hoge lichten te verbeteren. Bij onze moderne materialen vinden ze niet veel toepassing meer, maar om je een indruk te geven van wat toonscheiding is, zal ik in het kort één der eenvoudigste procédés behandelen: deMente-cascadruk. Indien men een vergroting zo kort belicht, dat alleen de schaduwen na de ontwikkeling enige dekking krijgen, zal bij een tweede belichting op datzelfde vel het zwarte beeldzilver in de schaduwen het licht gedeeltelijk tegenhouden, zodat men dus de lichte partijen wat langer kan belichten, zonder dat de schaduw dichtlopen. Om dit principe in de praktijk te kunnen toepassen, baadt men een onbelicht vel papier gedurende 1½ minuut in ontwikkelaar, zodat het zich ermee vol zuigt. Dan wordt het kletsnat onder het vergrotingsapparaat gelegd(op plastic of glas, om geen ontwikkelaar op de grondplank te krijgen). Nu belicht men ongeveer 2/3 van de tijd, die voor de normale vergroting nodig zou zijn en wacht tot het belichte broomzilver ontwikkeld is (de schaduwen hebben nu enige dekking). Daarna belichten we nogmaals, nu zo lang dat de middentinten en hoge lichten voldoende doortekening krijgen na het normale ontwikkelen. We leggen nu het papier in het bad en laten het uitontwikkelen. Voordeel: We kunnen een hardere gradatie papier gebruiken dan normaal voor dat negatief zou zijn, zonder dat de schaduwen dichtlopen of de hoge lichten kaal blijven. Daardoor krijgen we de details in de lichtste en donkerste partijen, die in een vrij vlakke schouder en voet van de gradatiecurve zitten (zie mijn studierubriek in Hobby-puk no. 1 van de tiende jaargang), meer contrast. Het beoefenen van de casadedruk eist veel routine en proefstroken om de juiste verhouding tussen belichtingstijden te bepalen. Er zij nog veel andere methoden van toonscheiding (o. a. een van Person en enige van de Nederlander Tirion), maar die komen niet voor plaatsruimte in deze rubriek in aanmerking.

Rob Ruurs.

De vorige keer heb ik geschreven dat het aantal betrekkelijk dichtbij gelegen sterren klein is en dat de kans dat zich juist op een van deze sterren intelligent leven heeft ontwikkeld te verwaarlozen is. Het is interressant om eens zuiver theoretisch te bekijken of dit werkelijk zo is, om alle eventuele bestaansmogelijkheden van leven de revue te laten passeren.
Ontwikkeling van leven op basis van C en H2O, (koolstof en water. ) Dit is het leven zoals het op aarde voorkomt, Men is gemakkelijk geneigd te zeggen dat de aardse levensvorm "De" levensvorm is, omdat men niets anders kent, maar hiermede moet men zoals het zal blijken zeer voorzichtig zijn. E en virus wordt geacht het eenvoudigste stukje leven te zijn. Stanly is er b. v. in1935 in geslaagd het mozaïkvirus van tabaksplanten in kristalvorm te brengen, wat de specifieke "dode" vorm is. De eenvoudigste virussen bestaan uit een molecule nucleoprotëine.
Deze moleculen zijn in staat zich zelf te reproduceren uit kleinere moleculen. Dit is een eigenschap die men bij de virussen terug vindt. Het nucleoproteïnemolecuul van de virus dringt een cel binnen en dwingt het daar aanwezige "bouwmateriaal" nieuwe virussen te vormen naar zijn voorbeeld. De cel wordt afgebroken, enkele honderden virussen worden opgebouwd.
Voor diegenen die wel eens gehoord hebben van D. N. A. , R. N. A. of chromosomen (genen) is het mischien verhelderend wanneer we weten dat dit allemaal nucleoproteïnen zijn. Dit nucleoproteïnemolecuul is opgebouwd uit een nucleïne zuur en een proteïne (eiwit). Als men het juiste eiwit en nucleïne zuur samenvoegd heeft men leven gemaakt. Men dient hierbij te beseffen dat deze samenvoeging niet blindelings gebeurt, maar zich houdt aan de fysische en chemische wetten.
O2 en H2O verbinden zich ook niet totOHO of OHH maar uitsluitend tot HOH. Buiten gewone omstandigheden die aanleiding tot het vormen van peroxyden enz. Buiten beschouwing gelaten. Men heeft levende virussen ontleed in hun zuur en hun eiwit.
Weer samengevoegd verbond zich een procent van het mengsel tot het oorspronkelijke virus.
Dit terwijl er tienduizend mogelijkheden waren voor elke mogelijkheid dus minder dan één promille kans. Dit duidt erop dat de juiste mogelijkheid meer kans heeft dan de andere. Hieruit is dus gebleken dat vorming van een nucleoproteïne dat wij leven noemen voor de natuur geen onoverkomelijk bezwaar is. Blijft de vraag hoe we aan de bouwstoffen komen. In 1953 is Stanly L. Miller erin geslaagd de bouwstoffen van eiwitten, aminozuren, te maken. In een afgesloten vat veroorzaakte hij gedurende een week energie toevoer in de vorm van elektrische ontladingen. Het vat was gevuld met gassen waarvan wij ook aannemen dat ze ook in het Azoïcum (a= niet, Zoooo= Grieks voor leven. Azoïcum is dus het tijdperk dat er nog geen leven op aarde was)voorkwamen, zoals NH3, CO, CO2 en CH4. Deze moleculen bleken zich aan het van de week, onder invloed van de toegevoerde energie tot aminozuren gevormd te hebben. Bij deze en latere proeven is men erin geslaagd vrijwel alle ca. 25 aminozuren te vormen. Hieruit heeft men weer een verscheidenheid aan eiwitten kunnen vormen. Nucleïnezuur bestaat uit fosfaten, pentose, en pyrimidine. Dit zijn allemaal eenvoudige tot matig gecompliceerde verbindingen die op een eenvoudige wijze tot nucleïnezuren te verbinden zijn. Resumerende krijgen we dus:

Fosfaten
Pentose
Purine
Pyrimidine
} Nucleïne zuur } NUCLEOPROTEINE
Aminozuren   Proteïnen

Hiermede heb ik niet in de eerste plaats, aan willen tonen dat de mens leven zou kunnen maken, maar wel dat de natuur onder geschikte omstandigheden leven kan vormen. Dit in tegenstelling tot veel mensen die beweren dat één of andere hogere macht het leven; al dan niet speciaal en alleen voor onze aarde, los van de schepping van het universum heeft gecreeërd.
In de oerzee en oeratmosfeer (van het Azoïcum) bevonden zich een overvloed aan grondstoffen. Eenvoudige moleculen zoals die bij de proeven van o. a. Stanly L. Miller werden gebruikt. Door toevoer van energie in de vorm van kosmische straling, ultraviolette straling en onweders werden deze kleine moleculen aan elkaar verbonden. Waar Stanly L. Miller over een betrekkelijk klein vat beschikte de aarde over haar gehele oppervlak, van hoog in de lucht tot diep in de zee. De week was enkele miljarden jaren. Het aantal ontstane verbindingen is oneindig veel groter geweest. De vormen die stabiel bleken te zijn bleven behouden, de anderen gingen verloren.

Voetafdruk van een Venus-mens zoals Adamski die bij zijn eerste in 1952 vond. Dhr Hollander uit Amsterdam heeft uit het "Geheimschrift" een toestel kunnen ontwikkelen waarmee de zwaartekracht zou kunnen worden overwonnen.

De geschikte vormen breiden zich uit ten koste van de andere Dit stuit dus aan bij Darwins evolutie theoriën. Vorming van een groot aantal variaties, waarbij de meest geschikte variatie behouden blijft. Deze verschillende variaties ontstaan door inwerking van energierijke stralingen op chromosomen dragers van erfelijke eigenschappen) van deze variaties. Deze chromosomen zijn ook nucleoproteïnen, juist als de moleculen die volgens de hypothesen in de oerzee gevormd zijn. De energierijke straling heeft ook toen een groot aantal variaties veroorzaakt. En net zoals we dat nu in de biologie zien, heeft er toen in de scheikunde een natuurlijke selektie plaats gehad. Is het te gewaagd om te veronderstellen dat biologie een hogere graad van scheikunde is, dat biologie (leven) een logische gevolg vanscheikunde (dode materie) is? Dat leven overal zal ontstaan, in welke vorm dan ook, waar dode materie is.
Op elke planeet van ieder ster is dode materie aanwezig. Zal hieruit misschien geconcludeerd kunnen worden dat we vrijwel overal leven kunnen verwachten? De omstandigheden op alle planeten zullen verschillend zijn, zodat het leven zich in een andere richting zal gaan ontwikkelen. Evengoed als er in de loop der tijden op aarde organismen ontstaan zijn die voor andere planeten of organismen dodelijk zijn, kunnen zich op planeten die volgens onze begrippen beslist levenloos zijn hoog ontwikkelde wezens zijn ontstaan. Wij doen onze uitspraak vanuit onze veel te beperkte kennis. Om met Carl von Linné te spreken, die als motto in de twaalfde uitgave van zijn Systema Natura (1766) heeft geschreven: "Quis nisi vidiset Pixes halitare sub unda crederet?". Wie, die het zelf gezien had, zou kunnen geloven dat vissn onder water leven?" Vrij vertaald misschien: "Wie zouden er nu hebben kunnen voorzien dat er redelijke wezend op Jupiter zouden kunnen leven?" Wanneer we willen onderzoeken of er op andere planeten leven op basis van H2O en C mogelijk is komen we dus voor de moeilijkheid te staan dat het leven op aarde al zo rijk gevarieerd is. Door het grote verschil in klimaat van de aarde en andere planeten is een vergelijking wel haast onmogelijk. Bovendien is de kans dat we op een planeet, identiek aan de aarde, leven tegen komen dat op de mens lijkt misschien wel erg klein. Aangezien echter al het aardse leven water nodig heeft kunnen we als uitgangspunt de aanwezigheid hiervan als voorwaarden voor buitenaards leven aanvaarden. Men dient hierbij echter rekening te houden met het feit dat water reeds bij 5,58 mmHg (kwik).

Als men hier geen rekening mee zou houden, zou dit tot volkomen verkeerde conclusies kunnen leiden.
Leven gebasseerd op andere principes.
a. Leven op basis van Si (Silicium). Aangezien Si veel lijkt op C wordt het mogelijk geacht dat zich onder zeer speciale omstandigheden ingewikkelde moleculen kunnen vormen met een Si skelet in plaats van een C skelet, zoals wij dat op aarde kennen.

Zoals blijkt uit bovenstaande schema's bezitten de buitendste elektronen schillen van C en Si evenveen elektronen n. l. 4, die het chemisch gedrag bepalen. De afstand van de L schil zijn veel hechter dan die welke zijn aangegaan met elektronen uit M schil. Dit komt doordat de negatieve elektronen, door de grotere afstand tot de kern minder sterk worden aangetrokken door die positief geladen kern. De binding is dus zwakker. In de op C gebaseerde organismen speelt CO2 een belangrijke rol. SiO2 is echter pas boven 2500 graden C gasvormig dus kan het een dergelijke belangrijke rol niet spelen. C kan zonder meer naast water gebracht worden, een Si skelet reageert behalve onder hoge druk met water.
b. Leven met NH3. Ammoniak.
Haldane heeft erop gewezen dat NH3 bij veel verbindingen dezelfde rol speelt als water. Het wordt ook niet onmogelijk geacht dat organismen op C basis, waarbij lagere temperaturen ronden kunnen bestaan. NH3 is vloeibaar tussen 33,4 en 77,7oC bij 76 cm Hg.
c. Leven met S. (Zwavel).
Onder bepaalde omstandigheden zou zuurstof vervangen kunnen worden door zwavel. Hun onderlinge verschil is gelijk aan dat tussen C en S. Ook zuurstof en zwavel hebben een gelijk aantal elektronen in de buitendste schil (6) maar zuurstof heeft die in de L schil en zwavel in de M schil.

Wanneer we het geheel samen vatten krijgen we dus:

C tegenover Si.
H2O tegenover NH3
O tegenover S.

Heel misschien is het mogelijk dat op alle mogelijke plaatsen in het heelal, onder de meest verschillende omstandigheden, leven kan ontstaan dat gebruik maakt van 3 van deze 6 bouwstoffen. Hiermee zouden dan wel vliegende schotels en andere zaken verklaard kunnen worden. Maar de kans op het uitstappen van bemanningsleden hiervan zonder dat zij ruimtepakken dragen is niet groter geworden.

Laten we echter niet al te optimistisch zijn. Volgens Prof. A. E. Slater is de kans op leven op een planeet, volkomen gelijk aan de aarde 1/10^250. De noemer van deze breuk bestaat uit 251 cijfers.

Rectificatie.

Bij de afleiding van de lengte contractie in het vorige nummer moet de laatste regel worden:

L'= 8,6x0,436 = 575 lichtjaren.
De volgende aanvulling zou nog gemaakt kunnen worden.
Op blz. 26 stonden "aapmens" en "Chinamens" als letterlijke vertaling, terwijl voor beide andere mensen soorten een verklaring was ingevuld. Een letterlijke verklaring voor H. neanderthalensis is mens uit het dalx. H. sapiens is redelijke mens.
Ik houd mij nog steeds aanbevolen voor op- en aanmerkingen.

Xvan de Neander

Kees Aaldijk

 

X     Op de vorige pagina staan enkele nogal onduidelijke zinnen , na de schetsjes .
Het is de bedoeling dat er dit staat.
Het chemisch gedrag van een atoom wordt bepaald door de electronen in de buitenste schil. Hoe verder deze electronen van de kern afstaan, hoe zwakker wordt de binding. Si en C kunnen dus eenzelfde soort binding aangaan maar doordat de bindingssterkte bij Si zwakker is, ontstaat een minder stabiele verbinding.

De eerste vragen van de nieuwe serie zijn geen succes geweest. Zo moeilijk waren de antwoorden toch werkelijk niet. Bovendien moet je niet vergeten dat je antwoord toch op kunt sturen waneer je slechts EEN van de twee antwoorden weet.

1. De omtrek van de zon is 2piR meter, één meter langer gemaakt wordt dit dus 2piR + 1 meter, deze omtrek vormt een cirkel met een nieuwe straal (R+a) zodat

2piR+l = 2pi(R+a)
2piR+1 = 2piR + 2pia
1 = 2pia
a = 1/2pi = 16 cm.

Hieruit blijkt dat de afstand tussen het oppervlak van de bol (zon of voetbal) en het verlengde touw onafhankelijk is van de grootte van de bol, R valt er namelijk uit.
2 Antwoord op de 2de vraag.
Uit deze vraag blijkt dzt Achilles de schildpad heeft ingehaald na 1, 111111111111 enz. seconden.
Nu is 1 1/9 geschreven als tiendelige breuk ook 1, 111111 enz. Hieruit blijkt dat Achilles de schildpad na 1 1/9 sec heeft ingehaald.

De volgende vragen zijn nog eenvoudiger dan de vorige, die toch ook beslist niet moeilijk waren. Je moet het maar net even zien.

3. Een half volle fles is gelijk aan een half lege fles.
2 half volle flessen zijn gelijk aan 2 half lege flessen.
2 half volle flessen zijn gelijk aan 1 gehele volle fles.
2 half lege flessen zijn gelijk aan één geheel lege fles.
Dus één geheel volle fles is gelijk aan een geheel lege fles.
Waar zit de fout ?
4. Op een dag komt bij een dorpsschoenmaker een man die een paar schoenen koopt. Die kosten f. 12, --. De koper betaalt met een briefje van f. 20, --.
De schoenmaker kan niet wisselen en gaat daarom naar de bakker.
De koper krijgt zijn f. 8, -- en gaat met de schoenen weg.
Even later komt de bakker bij de schoenmaker en eist f. 20, -- omdat het biljet vals was. Hoeveel geld verliest de schoenmaker in totaal bij deze twijfelachtige transactie als dit niet f. 40, -- is?

Oplossingen weer naar;

Nassauweg 64,
Dordrecht.

Veel succes.

Kees Aaldijk.